
1e Dag
22-07-1998 Tilburg - Amsterdam – Las Vegas
Op Schiphol
lopen we naar balie 24 om in te checken voor de vlucht naar de
USA. Waarschijnlijk omdat we met de Amerikaanse maatschappij
United Airlines vliegen zijn de veiligheidsmaatregelen enorm. Niet
alleen wordt onze bagage al doorgelicht voor we ingecheckt hebben,
ook worden we ondervraagd door een veiligheidsfunctionaris. Als we
uiteindelijk zijn in gecheckt halen we bij de PTT de gereserveerde
GSM-telefoon op, die geschikt is voor het Amerikaanse net, zodat we
de komende 4 weken bereikbaar zijn.
Het is 12.00 uur als we aan boord gaan van een
nieuw type Boeiing, namelijk een 777. Op het geplande tijdstip van
vertrek (12.30 uur) krijgen we te horen dat we pas een halfuur later
zullen vertrekken in verband met een druk ‘vertrekvenster’ richting
de Atlantische Oceaan. Veel meer vertraging hopen we niet te
krijgen omdat we in Washington DC maar 1½ uur de tijd hebben
tot onze aansluitende vlucht naar Las Vegas vertrekt.
Zonder verdere vertraging stijgen we om 13.00 uur
op en vertrekken richting de oostkust van de ‘States’. Zo’n 8 uur
later zetten we de landing in naar Dulles Airport, het vliegveld van
Washington DC, de hoofdstad van Amerika. Tijdens het aanvliegen
kijken we uit over een ‘Nederlands landschap’ en zien in de verte
het White House. Om 15.15 uur plaatselijke tijd landen we en
zijn na 3 jaar eindelijk terug in de ‘States’.
Na de ‘transfer’ op ‘Dulles’ moeten we tot 17.15
uur wachten op de aansluitende vlucht. Precies op tijd vertrekken we
voor de 4½ uur durende vlucht naar Las Vegas. Ondanks het feit dat
tijdens de daling wordt medegedeeld dat het bewolkt is en licht
regent in ‘Vegas’ hebben we een goed uitzicht over Lake Mead
en de omringende woestijn. Tijdens de daling heeft Monique door
drukverschillen last van een sterke hoofdpijn. Om 19.00 uur
plaatselijke tijd landen we en rijden vervolgens met de metro naar
het hoofdgebouw van het vliegveld. Terwijl we op onze bagage staan
te wachten zorgen de rinkelende gokautomaten langs de bagageband
ervoor dat we ongeduldig worden, we willen de Strip op.
Als de bagage compleet is gaan we op zoek naar de
bushalte van Alamo, het autoverhuurbedrijf waar we een auto hebben
gereserveerd. Enkele minuten later worden we opgepikt en rijden naar
het uitleenpunt vlakbij het centrum van ‘Vegas’. Na de gebruikelijke
papierwinkel lopen we de parkeerplaats op en gaan op zoek naar onze
auto. Het blijkt een witte Hyunday Elantra te zijn. We laden de
bagage in en rijden naar Excalibur, het witte kasteel aan de
Strip waar we in Nederland al een kamer voor hebben gereserveerd.
Terwijl onze auto geparkeerd wordt, checken wij in. Op de kamer
pakken we snel de bagage om voor de komende weken. Vervolgens gaan
we om 21.00 uur weer naar beneden om nog even in de casino’s en
langs de Strip de sfeer te proeven.
Via een airconditioned tunnel lopen we van
Excaliber het indrukwekkende interieur van de pyramide van het
casino Luxor binnen. In de kern van deze holle kolos op ware
grootte ligt een pretpark met prachtige tempels en beelden. Via
Excaliber lopen we naar New York New York. Een nieuw
casino/hotel in de vorm van de ‘skyline’ van New York, compleet met
het vrijheidsbeeld en een gigantische achtbaan. In het interieur van
het casino zijn diverse wijken van ‘The Big Apple’ te herkennen.
Voor de ingang stappen we vervolgens in een, als ‘cable’ car
uitgedoste (te) toeristische, bus om naar de Stratophere Tower
te rijden. Als blijkt dat de bus bij elk casino stopt stappen we
snel uit en lopen verder langs de strip. Net als 3 jaar geleden
genieten we volop van de gekte in ‘Vegas’, alleen voelen we ons deze
keer meteen thuis. Van ver zien we de vulkaan voor de The Mirage
uitbarsten. We lopen even dit casino in om te kijken naar één van de
witte tijgers van Sigfried en Roy. Als we Treasure Island
passeren en de piratenschepen weer klaar zien liggen voor één van
hun dagelijkse gevechten besluiten we niet op het volgende gevecht
te wachten maar terug te lopen naar Excaliber. Omdat we morgen al
vroeg willen vertrekken en bovendien al bijna 25 uur op zijn willen
we naar bed. Op de terugweg kunnen we het niet laten en lopen we
Ceasars Palace in. Onder de prachtig blauwe hemel wandelen we
door de oude Romeinse straten. We stoppen onderweg kort bij de
fontein met de bewegende beelden en lopen vervolgens terug richting
‘ons’ kasteel. Onderweg verbazen we ons over de in aanbouw zijnde
‘mega’ casino’s. Voor Venetië ligt een kopie van het San
Marco Plein en een stuk verder bouwt men aan Paris met
daarvoor de Eifeltoren, schaal 1:2!
Als we de ophaalbrug van Excalibur op lopen valt
in de gracht rond het hotel een vuurspuwende draak het kasteel aan.
Nadat Merlijn, die in een klein hutje aan de slotgracht blijkt te
wonen, met zijn toverkunsten de draak heeft weten te verslaan gaan
we op zoek naar onze hotelkamer. Onderweg zien we, op grote schermen
in het casino, nog net hoe Pantani een touretappe weet te winnen. We
doen nog wat inkopen voor morgen en gaan naar de hotelkamer. Het is
24.00 uur als we gaan slapen.
8 Miles
2e Dag 23-07-1998 Las Vegas – Death
Valley Nat. Monument – Lee Vining (Mono Lake)
Na een onrustige nacht vertrekken we om 6.30 uur.
Terwijl het nog steeds een beetje regent verlaten we via de Strip
Las Vegas en rijden de woestijn in. Pas als we de Sierra Nevada
naderen houdt het op met regenen. Tijdens de afdaling naar het
Death Valley National Monument wordt het weer snel beter en al
snel rijden we onder een blauwe hemel naar de bodem van de heetste
en de laagst gelegen vallei van de USA.
Voor we het ‘national monument’ inrijden bezoeken
we eerst het, aan de rand van het park gelegen, uitzichtspunt
Dante’s View. Vanaf 1669 meter hoogte hebben we een goed
uitzicht over de uitgestrekte zoutvlakte op de bodem van deze 193 km
lange en 6.5 tot 26 km brede slenk tussen het Paramint- en
het Funeralgebergte. Door het werken van de aardkorst bewegen
deze bergruggen van elkaar weg en is de tussenliggende valei
inmiddels tot ver onder het zeeniveau gezakt. De bodem van Death
Valley is vlakgesleten door de schurende werking van gletsjers die
de vallei in de ijstijd vulden. Door verdamping van het meer,
ontstaan uit het smelten van de gletsjers, bleef een witte
zoutvlakte achter op de bodem van de vallei.
We beginnen aan de afdaling naar de bodem van de
‘valley’. Onderweg stoppen we bij Zabriskie Point. Als we uit
onze auto stappen om naar het ‘viewpoint’ te ‘hiken’ voelen we voor
het eerst de hitte waar dit gebied om bekend staat. Het uitzicht
over de kleurrijke versteende duinen met de witte zoutvlakte en de
bergen op de achtergrond is prachtig. Desondanks zitten we door de
hitte weer snel in onze airconditioned Hyunday en vervolgen al
drinkend onze route naar beneden. Na een korte stop bij de
Furnace Kreek Ranch bezoeken we het ‘visitor center’ en kopen
voor 50 US$ een Golden Eagle Pass. Via de Artist Drive
en het Artist Palette, beide bekend om de kleurrijke
rotsformaties, rijden we naar Badwater. Dit punt ligt 84
meter onder de zeespiegel. Hierdoor is waarschijnlijk juist deze
plek, het laagste punt van de USA, de enige plaats in de vallei waar
zich ondanks de hitte nog wat water kan verzamelen. De plek dankt
zijn naam dan ook aan de kleine poel met zout en dus ‘slecht’ water.
Ondanks de hitte lopen we even naar de zoutvlakte, die een paar
honderd meter verder begint, om het zout te proeven. De zoutkorst
blijkt ruw en veel minder wit dan hij van ver lijkt. Na een paar
minuten houden we het voor gezien op de zoutkorst en ‘hiken’ terug
naar Badwater. Op de terugweg zien we dat er boven de parkeerplaats
een bord tegen de bergwand is geplaatst waarop het zeeniveau is
aangegeven.
Op weg naar de noordwestelijke uitgang van het
park stoppen we kort bij de Mushroom Rock. Vervolgens
passeren we opnieuw de Furnace Kreek Ranch en het ‘visitor center’
en verlaten het ‘national monument’ bij de zandduinen bij
Stovepipe Wells. Nadat we net buiten het park getankt hebben in
Paramint Springs rijden we parallel aan de Sierra Nevada naar
het noorden. Langs de route staan op de hoger gelegen berghellingen
honderden Joshua Trees, terwijl we in de dalen opnieuw
diverse zoutvlakten zien liggen. Hoewel zich boven de besneeuwde
toppen van de Sierra Nevada donkere wolken samen pakken valt er niet
veel regen. Het is 17.15 uur als we Lee Vining binnen rijden.
We besluiten niet volgens onze planning verder te rijden naar het 25
miles verder gelegen Bridgeport, maar in dit dorpje te overnachten.
Lee Vining ligt namelijk aan het mooie Mono Lake dat we nog
kennen van 3 jaar geleden. Terwijl Bridgeport ‘in the middle of
nowhere’ ligt, kunnen we hier vanavond en eventueel morgenvroeg nog
even bij het ‘lake’ gaan kijken. Na wat zoeken vinden we een klein
eenvoudig hotel, El Mono. Hoewel het het goedkoopste hotel
van het dorp is schrikken we van de prijs, namelijk 65.40 US$. We
denken (hopen) dat de hoge prijs veroorzaakt wordt door de ligging
van Lee Vining aan de oever van het Mono Lake, aan de voet van de
Sierra Nevada en aan het begin van de Tioga Pas, dé route
naar het Yosemite National Park.
Nadat we ons snel opgefrist hebben lopen we het
dorp in om een hapje te eten. Een uur later is het weer behoorlijk
opgeklaard. Daarom besluiten we naar het Mono Lake Tufa State
Reserve te rijden, om bij het meer naar de zonsondergang te
kijken. We parkeren de auto op de parkeerplaats van de South Tufa
Area en ‘hiken’ naar de oever van het ‘lake’. Het water blijkt
een flink stuk hoger te staan dan drie jaar geleden. Dit is het
gevolg van de beslissing van de overheid om geen water meer uit het
meer te gebruiken voor de drinkwatervoorziening van San Fransisco.
De reden hiervan is dat door de dalende waterspiegel steeds meer van
de unieke ‘groeiende’ rotsen, waar het Mono Lake om bekend staat,
droog kwamen te staan. Het ‘groeien’ van deze rotsen, door de
wisselwerking van (zure) regen en het kalkhoudende water uit het
meer, kwam hierdoor stil te liggen. Men hoopt met deze maatregelen
het unieke natuurverschijnsel in dit meer te redden. Het uitzicht
over het meer blijft mooi. Hoewel de zonsondergang niet bijzonder is
genieten we van de rust en de rotsen aan de oever van het unieke
Mono Lake.
Terwijl het al donker begint te worden rijden we
terug naar Lee Vining. Terug in het hotel drinken we nog wat in het
restaurantje van El Mono. Op de hotelkamer kijken we TV, lezen nog
even en gaan vervolgens vroeg slapen.
480 Miles
3e Dag 24-07-1998 Lee Vining (Mono Lake) - Eureka
Het is al licht als we om 6.00 uur terugrijden
naar het Mono Lake om nog wat plaatjes schieten bij zonsopkomst.
Driekwartier later vertrekken we bij het meer en beginnen aan de
lange rit die we voor vandaag gepland hebben.
Gedurende 150 miles rijden we via diverse passen
tussen de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada door, richting de
westkust. Net na Markleeville stoppen we om te tanken. De
eigenaresse van het tankstation verteld ons ze de afgelopen nacht
bezoek heeft gehad van een beer. Het beest blijkt de afgelopen nacht
haar vriezer te hebben geplunderd. Na een cola en wat ‘muffins’
rijden we weer verder. Terwijl de temperatuur hoog en de lucht blauw
is, verlaten we het hooggebergte en vervolgen onze route door een
heuvelachtig en bebost landschap. De wolkenkrabbers van
Sacramento zien we al van ver liggen. Net na deze grote stad
nemen we een afslag die ons naar de kust en de Pacific Ocean
moet brengen. Al snel wordt duidelijk dat de bochtige en
heuvelachtige route veel meer tijd in beslag zal nemen dan gepland.
In Trinity tanken we opnieuw. Als we eindelijk de heuvels
achter ons laten rijden we door bossen met gigantische Redwoods
verder richting Eureka. Inmiddels wordt de invloed van de
Pacific merkbaar. Het koude water van de oceaan veroorzaakt langs
deze kust namelijk regelmatig mist en zware bewolking. Helaas hangt
er ook vandaag een zware bewolking. Net na het Grizly Creek
Redwood State Park bereiken we de kust en rijden langs de oceaan
naar Eureka. Het is 17.15 uur als we inchecken in Motel 6 ($ 50.13).
Door de extra kilometers naar Bridgeport en het laatste langzame
deel van de route heeft de rit vandaag eigenlijk te lang geduurd.
Nadat we ons opgefrist hebben rijden we naar het
centrum van Eureka om de oude kern van het stadje te bekijken. Het
blijkt vergane glorie en dus zijn we snel uitgekeken. Vervolgens
rijden we over drie lange bruggen naar de kustlijn om, ondanks het
slechte weer, even naar de oceaan te kijken. Terug in Eureka stoppen
we bij de Pizza Hut om onze ‘riessen hunger’ te stillen. Uiteraard
eten we van de ‘saladbar’ en bestellen weer te veel pizza. Het
restant krijgen we mee in een ‘box’.
Terug in het hotel kruipen we vroeg in bed (20.30
uur). Terwijl ik met moeite wakker blijf om iets van de Tour de
France te zien valt Monique vrijwel meteen in slaap. Na de reportage
over de Tour zet ik de TV af en ga ook slapen.
541 Miles
4e Dag 25-07-1998 Eureka – Redwood National Park -
Crater Lake National Park
Ook vandaag vertrekken we weer om 6.00 uur. Het
eerste doel van vandaag is het vlakbij Eureka gelegen Redwood
National Park. Door dichte mist rijden we langs de kust naar de
ingang van het park. In de hoop dat de mist nog wat optrekt
besluiten we hier op het strand te ontbijten. Als we een ‘Afrikaans’
ontbijt (cornflakes met melk) klaar willen maken blijkt onze melk
inmiddels zuur te zijn. Als alternatief ontbijt pakken we een puntje
pizza van gisterenavond. Na het ‘breakfast’ rijden we het park in.
Bij het passeren van de Redwood Creek
loopt een grote kudde roosevelt-wapitis (herten) door de bedding van
de kreek. Voor de rit naar de Tall Tree Groove blijkt een
vergunning nodig te zijn, die bovendien maar voor 25 auto’s per dag
afgegeven wordt. Maar we zijn vroeg, dus wie weet. Op het Prairie
Creek Visitor Center krijgen we te horen dat de we voor de rit
en de wandeling zo’n 3½ uur moeten rekenen. Dit zit er gezien onze
planning niet in en omdat bovendien de vergunningen pas vanaf 9 uur
verstrekt worden besluiten we als alternatief over het 1.5 mile
lange trail door de Lady Bird Johnson Groove te ‘hiken’.
Hoewel in ’95 de Giant Sequoias in Yosemite een grotere
indruk op ons gemaakt hebben blijft het wandelen tussen de
gigantische ‘redwoods’ een bijzondere ervaring. Door het feit dat de
Coast Sequoias hoger zijn, in grotere aantallen voorkomen dan
hun grotere broer (de Giant Sequoia) en bovendien omgeven zijn door
regenwoud maakt de ‘groves’ in het Redwood National Park toch
bijzonder. Als we via de Newton B. Drury Scenic Parkway onze
weg in noordelijke richting vervolgen schijnt de zon inmiddels
volop. We zijn dan ook verbaast als we de Coastal Drive op
rijden en weer in dichte mist terechtkomen. De koude oceaan
veroorzaakt blijkbaar nu ook voldoende mist om de kustlijn aan het
oog te onttrekken. Omdat we slechts met moeite hier en daar een
glimp van de branding opvangen en we verder niet veel van de
omgeving zien besluiten we om te draaien. Vlak voor de hoofdweg van
het park, slechts enkele honderden meters landinwaarts, verlaten we
de mistbank en rijden plotseling weer onder een blauwe hemel. De
hoofdweg verlaat plaatselijk het park omdat Klamath, een
dorpje compleet met casino, op de route ligt. De mensen van dit dorp
woonden tot 1978 net buiten de drie North Coast State Parks (Prairie
Creek, Del Norte en Jedediah Smith). In 1978
werden deze parken samengevoegd tot het Redwood National Park.
Hoewel de grens van het park om hun dorp heenloopt zijn ze
aangewezen op de parkwegen om hun dorp te kunnen bereiken. Een paar
kilometer verder pikken we de Coastal Drive weer op. Langs de route
staat een gecamoufleerde radarpost uit de 2e
wereldoorlog. Hoewel ook hier een dichte mist hangt zien we nu wat
meer van de oceaan. Terug op de hoofdweg rijden we via de
indrukwekkende Avenue of the Giants (Redwood Highway)
naar, het ten noorden van het park gelegen, Cresent City.
Nadat we getankt hebben rijden we via het noordelijke deel van het
park landinwaarts naar het einddoel van vandaag, het Crater Lake
National Park.
We verlaten California en rijden door
eindeloze bossen via lange kaarsrechte wegen naar het, in het zuiden
van de staat Oregon gelegen, Crater Lake National Park. Op de
plaats van het Crater Lake verhief zich nog maar enkele duizenden
jaren geleden de top van Mount Mazama. Deze vulkaan is één
van de 12 onberekenbare stratovulkanen die deel uitmaken van de meer
dan 1000 kilometer lange Cascade Ranges. Zo’n 7000 jaar
geleden kwam de 3600 meter hoge vulkaan tot uitbarsting. Door de
snelle lediging van de magmahaard verloor de vulkaan echter zijn
stabiliteit. De top stortte in de vrijgekomen ruimte onder de
vulkaan. De ontstane ‘caldera’ (Spaans: ketel) vulde zich met
regenwater. Zo ontstond het huidige meer dat een diameter heeft van
9 kilometer en met een diepte van 589 meter het diepste ‘lake’ van
de USA is.
Als we de top van de vulkaan naderen pakken
donkere wolken zich samen boven Mount Mazama. Omdat we bang zijn dat
de top, en dus het Crater Lake, straks in de wolken zal verdwijnen
stellen we het reserveren van een ‘campsite’ uit en rijden meteen
door naar de ‘rim’ van de ‘caldera’. Het uitzicht over Crater Lake
is adembenemend. De laatste restjes zonlicht geven ons een indruk
hoe blauw het water moet zijn op een zonnige dag. Tijdens de 33
miles lange ‘rimdrive’ hebben we vanaf diverse ‘viewpoints’ een goed
uitzicht over het schitterende meer en de twee eilanden, het
Phantom Ship en het Wizard Island. Vanaf de top van de
vulkaan hebben we ook een goed uitzicht over de omgeving van de
vulkaan met de uitgestrekte bossen waar we vandaag doorheen gereden
zijn. Omdat het tegen het eind van de rondrit begint te gieten wordt
het tijd een ‘campsite’ te gaan zoeken.
Op de Mazama Campsite (15 US$), een camping
vlakbij de zuidelijke ingang van het park die van alle gemakken is
voorzien, zetten we de tent op. In de kampwinkel doen we wat inkopen
voor de komende dagen, waaronder wat hout om vanavond een kampvuur
te maken. Vervolgens rijden we terug naar ‘boven’ om wat te eten in
de Watchman, een restaurantje met uitzicht op het ‘lake’. Na
een eenvoudig maar lekker ‘buffet diner’ nemen we nog even een
kijkje op de rim en maken een praatje met een (te) dikke Amerikaan.
Terug op de ‘campsite’ maken we een kampvuur en drinken een pilsje
terwijl we genieten van het ultieme ‘Afrika-gevoel’ op de top van
een bijna 1900 meter hoge Amerikaanse vulkaan. Om 22.00 uur doven we
het kampvuur en kruipen diep in onze slaapzak, het is koud!
361 Miles
5e Dag 26-07-1998 Crater Lake NP – Mount St. Helens
National Volcanic Monument
Om 5.20 uur loopt de wekker af. We kunnen het
niet laten. Als de tent (nat) is ingepakt, rijden we nog even terug
naar het meer. Terwijl we vanaf het terras bij de Crater Lake
Lodge opnieuw genieten van het schitterende uitzicht over de
krater komt de zon boven de kraterrand op en zet het meer prachtig
in het licht.
We rijden terug naar de campground om te tanken.
Als blijkt dat het tankstation pas om 7.00 uur opent eten we een
bordje cornflakes om de tijd te doden. In de kampwinkel vernemen we
dat de snelste route naar het Mount St. Helens National Volcanic
Monument via de noordelijke uitgang van het park loopt. Dus
rijden we met een volle tank voor de laatste keer naar de top van
Mount Mazama. We verlaten de staat Oregon net na Portland en
vervolgen onze route naar het noorden door de staat Washington.
Na een vlotte rit arriveren we om 14.00 uur op de Kid Valley
Campground (13.20 US$) vlakbij het park. Omdat we dichterbij de
vulkaan overnachten dan gepland en er vroeger zijn dan verwacht
kunnen we vandaag nog de westkant van het park verkennen. We
reserveren een ‘site’ op de ‘campground’ en rijden het park in.
Na meer dan 123 jaar komt Mount St. Helens, de
jongste en actiefste vulkaan uit de Cascade Ranges, na een
aardbeving op 20 maart 1980 weer tot leven. Het blijft niet bij deze
ene beving met een kracht van 4.1 op de schaal van Richter.
Gedurende de 2 volgende maanden volgen namelijk nog ongeveer 10.000
aardbevingen. Wetenschappers nemen in deze periode de groei van een
bult waar tegen de noordflank van Mount St. Helens. Op zondag 18 Mei
1980 veroorzaakt een aardbeving (5.1 op de schaal van Richter) het
instorten van de bolstaande noordflank. Een enorme aardverschuiving
is het gevolg. Een deel hiervan dendert in het Spirit Lake.
Hierdoor wordt het meer als het ware opgetild en komt een stuk hoger
tegen de bergwand tot stilstand. De vloedgolf die hierbij ontstaat
ontwortelt 10.000den bomen die vervolgens in het meer
belanden. Het andere deel van de aardverschuiving stort zich 15
miles omlaag door het stroomgebied van de Toutle River. De
alles verwoestende lawine bedekt bruggen, wegen en huizen onder een
50 meter dikke laag puin. De aardverschuiving maakt de weg vrij voor
een zijwaartse drukgolf van, in het inwendige van Mount St. Helens
opgebouwde, hete gassen. Deze explosie, die 700 miles verder gehoord
wordt, maakt in een gebied van bijna 230 miles2 alles met
de grond gelijk. De bomen zijn in dit gebied afgeknapt alsof het
luciferhoutjes zijn en liggen door de drukgolf van de vulkaan
afgericht. Hoewel ze aan de rand van dit gebied niet meer ontworteld
worden, is het gas in de drukgolf nog zo heet dat het de bomen dood.
Inmiddels is uit de vulkaan een verticale askolom opgestegen met een
hoogte van 17 miles. De zon wordt hierdoor verduisterd en de dag
wordt nacht in oostelijk Washington. Door het gasrijk magma dat de
vulkaan, zo’n 4 uur na het begin van dit natuurgeweld, uit de krater
stoot vormt zich een zogenaamde pyroclastische wolk die zich langs
de noordwand van de vulkaan een weg naar beneden baant. Ondertussen
begint het in de aardverschuiving meegesleurde ijs en sneeuw te
smelten en vormen samen met het as, de stenen en boomstammen een
alles vernietigende hete dampende modderstroom, die zich langzaam
maar zeker een weg baant naar de Columbia River. Na de
hierboven beschreven eerste uren van de uitbarsting van Mount St.
Helens hebben nog 19 kleinere erupties plaatsgevonden. Hierdoor
begon zich langzaam maar zeker een nieuwe lavakoepel te vormen,
waarvan de groei tot op de dag van vandaag doorgaat.
Plotseling houden de naaldbossen, langs de route
naar Mount St. Helens, op te bestaan. We hebben de ‘blast edge’ van
de eruptie uit 1980 bereikt. Verbaast en onder de indruk kijken we
uit over een verwoest en kaal berglandschap met in de verte Mount
St. Helens. Hoewel de vulkaan nog ruim 25 miles van ons verwijdert
is kunnen we vanaf hier het enorme gapende gat in de noordwand van
de vulkaan zien. Langs de route naar het Coldwater Ridge Visitor
Center zien we zover we kunnen kijken afgebroken, ontwortelde en
van de vulkaan afgerichte naaldbomen liggen. Vanaf het terras van
het ‘visitor center’ hebben we een prachtig uitzicht over het
Coldwater Lake en Mount St. Helens. Af en toe stijgt er een
rookpluim op uit de krater. Een ranger verteld ons dat het geen rook
is maar dat het stofwolken zijn, die veroorzaakt worden door wind of
door rotsen die losraken door het smelten van de sneeuw op de top
van de vulkaan en vervolgens in de kratermond vallen. Vervolgens
rijden we verder de ‘blast zone’ in, naar het 1 jaar oude
Johnston Ridge Observatory, waar men de vulkaan voortdurend in
de gaten houdt. Dit observatorium is genoemd naar Dr. David A.
Johnston, een vulkanoloog die in de dagen voor 18 mei 1980 onderzoek
deed in de omgeving van de vulkaan. Hij meldde de wereld, vanuit wat
later de ‘blast zone’ bleek te zijn, dat de eruptie van Mount St.
Helens begonnen was, met de woorden: "Vancouver, Vancouver, this
is it!". Enkele ogenblikken later kwam hij om het leven. Het
uitzicht vanuit het observatorium op de vulkaan is adembenemend. Na
een film over de eruptie en de dagen die daarop volgden verlaten we
het ‘observatory’ en rijden terug naar het ‘visitor center’ om een
hapje te eten. Onderweg kruipt in de verte de besneeuwde top van
Mount Rainier, ons volgende reisdoel, achter de wolken. Na een
(te) dure hamburger rijden we terug naar de campground.
Terwijl de tent droogt schrijven we wat kaarten.
Als de tent staat werken we het reisverslag bij, lezen wat en gaan
vervolgens vroeg slapen (22.00 uur).
425 Miles
6e Dag 27-07-1998 Mount St. Helens Nat. Volc.
Monument – Mount Rainier Nat. Park
In dichte mist vertrekken we om 6.15 uur naar de
oostkant van het Mount St. Helens National Volcanic Monument. Omdat
de vulkaan grote indruk op ons gemaakt heeft en de oostelijke ingang
bovendien op de route ligt naar het Mount Rainier National Park
hebben we besloten ook dit deel van het park te bezoeken. Na een rit
van anderhalfuur door de bergen rijden we onder een inmiddels strak
blauwe hemel opnieuw het ‘national volcanic monument’ in.
De route voert ons als het ware de ‘blast zone’
in. We zien een prachtig bos veranderen in een ziek aangetast bos.
Als we het ‘viewpoint’ naderen waar de beroemde foto’s gemaakt zijn
van de aardverschuiving op zondag 18 Mei 1980 bereiken we de ‘blast
edge’. De dode bomen staan in dit deel van het rampgebied nog
overeind en geven het uitzicht op Mount St. Helens iets
spookachtigs. Via een aantal viewpoints rijden we langs de flanken
van de vulkaan omhoog en bereiken vervolgens het gebied waar de
drukgolf alle bomen heeft weggevaagd. Het ‘viewpoint’ bij Spirit
Lake is de volgende stop. Tot onze grote verbazing is 20 jaar na
dato een groot deel van het meer nog steeds bedekt door de 10.000den
ontwortelde bomen die door de vloedgolf in het meer zijn geworpen.
Mede hierdoor is het uitzicht over het meer bijzonder mooi. Een paar
miles verder bereiken we het eindpunt van de weg en parkeren de auto
op de parkeerplaats bij het Windy Ridge Viewpoint. Op een
afstand van slechts 4 miles van de krater van de actieve vulkaan
genieten we opnieuw van het uitzicht. Door de kleine afstand tot de
krater zien we nu ook de nieuwe lava koepel goed liggen. Na een
bordje cornflakes ‘hiken’ we naar een wat hoger gelegen ‘viewpoint’.
Vanaf hier hebben we ook een goed uitzicht op het woeste landschap
waar de aardverschuiving het Spirit Lake verdrongen heeft en over
dit met bomen bedekte meer met op de achtergrond de besneeuwde top
van Mount Rainier. Als we terug ‘hiken’ naar de auto verschijnen er
net als gisteren stofwolken rond de top van de vulkaan. Onder de
indruk verlaten we het Mount St. Helens National Volcanic Monument
en beginnen aan de rit naar het Mount Rainier National Park terwijl
we denken aan de laatste woorden van Dr. David A. Johnston:
"Vancouver, Vancouver, this is it!".
Omdat de GSM (nog) niet werkt en we de
handleiding van de telefoon kwijt zijn besluiten we zelf naar
Nederland te bellen. Bij een tankstation in Randle proberen
we tevergeefs met onze (Special Trafic) telefoonkaart te bellen. Als
bovendien blijkt dat we met onze ‘buitenlandse’ creditcard niet via
een operator kunnen bellen wordt het ons duidelijk dat het nu niet
zal lukken een berichtje naar Nederland te krijgen. Met een volle
tank vervolgen we onze route naar de hoogste stratovulkaan van de
Cascade Ranges, Mount Rainier (4394 meter).
Ruim een uur later rijden we via de Stevens
Canyon Entrance het zuidelijk deel van het Mount Rainier
National Park in. Onderweg stoppen we kort bij de Box Canyon
om een blik te werpen in de diepe kloof. We vervolgen onze route
door het bosrijke bergachtige landschap met mooie vergezichten.
Mount Rainier heeft zich echter nog niet laten zien. Pas nadat we
Stevens Ridge gepasseerd, zijn zien we de vulkaan voor het eerst
liggen. De derde stratovulkaan die we deze vakantie bezoeken is
compleet anders dan het Crater Lake in de krater van de ingestorte
Mount Mazama en het verwoeste landschap rond de gapende krater in
noordwand van Mount St. Helens. Door de met sneeuw en gletsjers
bedekte flanken van Mount Rainier en de prachtige omgeving lijkt
deze ‘mount’ meer op een gewone berg dan op een gevaarlijke
stratovulkaan. Maar schijn bedriegt. Deze vulkaan, die in 1792 door
de Engelse scheepskapitein George Washington naar zijn vriend
Peter Rainier werd genoemd, blijkt zelfs nog actief te zijn. Bij het
Henry M. Jackson Memorial Visitor Center, gelegen aan de voet
van de vulkaan in de Paradise Valley, parkeren we de auto. We
kiezen de Skyline Hike uit om nog wat dichter bij de vulkaan
te komen en een vrij uitzicht te hebben op de gletsjers aan de voet
van Mount Rainier. We ‘hiken’ in een uur door bloeiende alpenweiden
en sneeuwvelden naar het op ruim 2 kilometer hoogte gelegen
Glacier Vista. Vanaf dit ‘viewpoint’ kijken we uit over de
gletsjers tegen de flanken van de vulkaan. Ondanks de hitte en de
vermoeidheid hiken we in een halfuur terug naar het ‘visitor
center’. Na een ‘coke’ en een ‘muffin’ proberen we hier nog een keer
tevergeefs onze telefoonkaart te activeren.
Nadat we op de, wat verder naar het westen
gelegen, Cougar Rock Campground (16.38 US$) de tent hebben
opgezet rijden we naar het Longmire Visitor Center en eten
hier onze eerste ‘steak’ deze vakantie. Ook hier lukt het niet de
problemen met de telefoonkaart op te lossen. Terug op de camping
rommelen we wat tot het tegen zonsondergang loopt. Omdat we de
vulkaan bij zonsondergang en ‘wildlife’ willen zien rijden we terug
naar de Paradise Valley. Onderweg naar het ‘visitor center’ in de
vallei zien we 2 ‘elk’. In het ‘visitor center’ bellen we opnieuw
met de telefoonmaatschappij. Ditmaal is het raak, men belooft het
probleem binnen 5 minuten te verhelpen. Op de terugweg installeren
we ons op een ‘viewpoint’ voor de zonsondergang. De wolken en de
vulkaan kleuren weliswaar wat, maar het resultaat is niet ‘bie’.
Terug op de camping blijkt de telefoonkaart inmiddels geactiveerd te
zijn. Terwijl het nog steeds heet is ruimen we de tent in, werken de
administratie bij en lezen nog wat voor we om 22.00 uur gaan slapen
aan de voet van Mount Rainier.
244 Miles
7e Dag 28-07-1998 Mount Rainier National Park –
Seattle - Vancouver
Terwijl de meeste toeristen nog slapen vertrekken
wij om 6.25 uur naar het oostelijke deel van het park. Via de
White River Entrance rijden we naar het Sunrise Visitor
Center. Vanaf het ‘viewpoint’ bij het ‘visitor center’ hebben we
weliswaar een mooi uitzicht op Mount Rainier, maar het is toch wat
minder indrukwekkend dan gisteren. Waarschijnlijk is dit de reden
dat dit deel van het park wat minder toeristisch is. Vanuit een
telefooncel op de parkeerplaats bellen we even naar Nederland. Omdat
het uitzicht op de vulkaan niet echt zal veranderen als we zouden
gaan ‘hiken’ besluiten we het park te verlaten en naar Seattle,
‘the city of grunge’, te rijden.
Bij het binnenrijden van Seattle (12.00 uur)
komen we er achter dat we geen informatie over deze stad hebben
meegenomen. Eigenlijk kennen we alleen de 175 meter hoge Space
Needle, die ter gelegenheid van de wereld-tentoonsteling van
1962 werd gebouwd. Van ver zien we de Space Needle staan en met wat
geluk rijden we recht naar dit markante herkenningspunt toe. Hier
moeten we ongetwijfeld ook wat informatie over de stad kunnen
inwinnen. Het pretpark aan de voet van het gebouw laten we links
liggen. Met tickets voor een bezoek aan het ‘observation deck’ op
zak stappen we in een lift die ons in enkele seconden naar de top
van de toren brengt. Vanaf het ‘deck’ hebben we een goed uitzicht
over de stad met de wolkenkrabbers in het centrum, het
‘baseball’-stadion, de haven en de zeearm Puget Sound. Helaas
is het te heiig om de vulkanen van de Cascade Ranges te zien die we
afgelopen dagen bezocht hebben. Ondanks het uitzicht ben ik (Paul)
toch opgelucht als we op de begane grond uit de lift stappen. In het
winkeltje van de ‘needle’ halen we een gratis plattegrond van de
stad.
Terwijl we in het pretpark een ‘coke’ drinken,
bekijken we op de plattegrond wat er verder nog te zien is in
Seattle. Alleen de oude stadswijk rond Pioneer Square lijkt
ons nog de moeite waard. Vlakbij de haven parkeren we de auto in een
parkeergarage en laten, hoewel in de USA gebruikelijk, met tegenzin
de sleutels in het contactslot van de auto zitten. We lopen via het
oude Kings St. Station en de Smith Tower naar het
Pioneer Square. Onderweg kopen we een CD-tje voor Tom. De oude
(pak)huizen geven de wijk de uitstraling van een oude Amerikaanse
stad. Nadat we kort de sfeer op het ‘square’ geproefd hebben houden
we ‘oud’ Seattle voor gezien. We ‘hiken’ terug naar de haven waar
het lelijke dubbele Alaskan Way Viaduct langs de kade loopt.
Als blijkt dat de pieren met restaurantjes en winkeltjes een slap
aftreksel van Pier 39 in San Fransisco zijn hebben we
genoeg gezien van Seattle. Omdat we geen zin hebben om in deze dure
stad te overnachten besluiten we vandaag nog door te rijden naar
Vancouver in Canada. Met een volle tank verlaten we om
16.00 uur Seattle en vervolgen onze route naar het noorden.
Zo’n twee uren later arriveren we bij de grens
tussen de ‘States’ en Canada. Nadat we bij het ‘immigration office’
een stempel hebben gehaald rijden we British Colombia in. Bij
een ‘visitor center’ net over de grens stoppen we even om wat
informatie in te winnen voor de komende dagen. Met een flink pak
folders en een adres van een camping voor de komende nacht op zak
rijden we vervolgens verder naar Vancouver. Onderweg moeten we even
wennen aan het feit dat er op de verkeersborden weer kilometers
vermeld staan. Het (luxe) BCRV Park (22.47 Can$) blijkt in
tegenstelling tot de ‘campgrounds’ van de afgelopen nachten niet in
de bossen te liggen. De RV’s staan naar Europees model keurig op een
rijtje en de ‘tent-sites’ vormen een cirkel rond een prieeltje. Deze
‘campground’ is eigenlijk niets voor ons. Omdat het echter al laat
is hebben we geen zin om een andere camping te zoeken. In de
wetenschap dat het bovendien maar voor één nacht zal zijn, zijn we
toch blij als we één van de laatste ‘sites’ weten te bemachtigen.
In het prieeltje maken we een plan voor de
komende dagen. Morgen plannen we een bezoek aan ‘downtown’ Vancouver
en de dag(en) daarna willen we ‘whale watchen’ vanaf Vancouver
Island. Terwijl ik (Paul) de tent opzet schrijft Monique een fax
en verzendt deze vanuit de kampwinkel naar Nederland. Bij een Subway
restaurant vlakbij de camping eten we een broodje ‘long foot’ met
chips en cola. Terug op de camping (21.30 uur) maken we een praatje
met een Nederlander die enthousiast verteld over zijn reis door de
USA en Canada van de afgelopen 4 weken. In het prieeltje schrijft
Paul nog wat ansichtkaarten en werk ik (Monique) het reisverslag
bij. Op het moment dat we willen gaan slapen komt een Belgisch stel
naast ons zitten. We raken aan de praat, uiteraard over de route tot
nu toe en de plannen voor de komende weken. De Canadese Rockies
hebben de meeste indruk gemaakt op onze zuiderburen. Als we ze
vertellen dat we daar over een paar dagen ook heen gaan, bieden ze
ons spontaan hun Canadese ‘national park pas’ aan, ter waarde van 50
Can$. Tegen middernacht nemen we afscheid en gaan slapen.
312 Miles
8e Dag 29-07-1998 Vancouver – Tofino (Vancouver
Island)
We slapen lekker uit en vertrekken om 8.45 uur
richting ‘downtown’ Vancouver. Ons eerste doel is de Capilano
Suspension Bridge gelegen in het noorden van de stad. Na een
kort oponthoud in de file arriveren we bij het Capilano River
Regional Park. Het duurt niet lang voor we genoeg hebben van het
commerciële pretparkje op de ‘rim’ van de kloof, uitgesleten door de
Capilano River. Daarom gaan we op zoek naar de hangbrug die
op een hoogte van 70 meter de ‘canyon’, over een lengte van 137
meter, overspant. In tegenstelling tot Monique sta ik (Paul)
‘doodsangsten’ uit op de slingerende brug. Nieuwsgieriger dan bang,
loop ik zonder naar beneden te kijken in één keer naar de overkant.
Helaas is van het regenwoud aan deze kant van de brug ook een (te)
commercieel pretpark gemaakt. Het uitzicht over de kloof, de
Capilano River en de ‘suspension bridge’ is echter wel de moeite
waard. We steken opnieuw de brug over en verlaten het (pret)park.
Een paar kilometer naar het noorden ligt ‘The
peak of Vancouver’, Grouse Mountain. Het uitzicht vanaf deze
berg, over het Capilano Lake, ‘downtown’ Vancouver en
Stanley Park gelegen aan de Strait of Georgia, moet
volgens onze reisgids bijzonder zijn. Daarom gaan we met de
Grouse Mountain Skyride naar het Theatre In The Sky, het
eindstation van deze kabelbaan op de top van de 1100 meter hoge
Grouse Mountain. Helaas is het bijzonder heiig en dus valt het
uitzicht wat tegen. ‘Hiken’ heeft om dezelfde reden weinig zin en
omdat we bovendien ook geen zin hebben in het pretpark op de top van
deze berg, gaan we na een mok cornflakes weer met de ‘Skyride’ naar
beneden.
Vervolgens is het Stanley Park aan de beurt. Via
de mooie Lions Gate Bridge steken we de Burrard Inlet
over en rijden het beroemde park in. Tegen de richting van de klok
in rijden we over de kustweg door het park. Het prachtige regenwoud
langs de route wordt afgewisseld door standen, sportvelden,
picknickplaatsen en niet te vergeten de snelweg Stanley Park
Causeway. De wegwijzers in het park verwijzen verder nog naar
een dierentuin, het Vancouver Aquarium, een golfbaan en een
pretparkje. Na de Capilano Suspension Bridge en Grouse Mountain zijn
we tijdens de rit door dit stadspark er inmiddels van overtuigd
geraakt dat de Canadezen overal een pretpark van willen maken. We
parkeren de auto vlakbij de Coal Harbour en ‘hiken’ naar een
aantal totempalen, die van de gehele westkust van Canada hier in
Stanley Park verzameld zijn. Vanaf het nabij gelegen Hallelujah
Point hebben we een goed uitzicht over de ‘skyline’ van
Vancouver, met onder andere het op zeilboten geïnspireerde,
Canada Place. Dit gebouw diende als blikvanger voor de expo van
1986. Via de Brockton Oval, een atletiekbaan, wandelen we
terug naar de auto.
In ‘downtown’ Vancouver parkeren we de auto in
een parkeergarage en wandelen Gastown in. Deze oude
gerestaureerde en zeer toeristische stadswijk dankt zijn naam aan
‘saloon’-eigenaar John Deighton. Deze praatgrage man werd dankzij
zijn bijnaam, ‘Gassy Jack’, onsterfelijk als naamgever van de wijk
Gastown. Bij een straatverkoper kopen we een hotdog en wandelen
vervolgens door de drukke toeristische winkelstraat. Onderweg naar
het vlakbij gelegen Chinatown merken we dat Gastown minder
toeristisch wordt. Plotseling lopen we tussen de drugsdealers.
Hierdoor hangt er een dreigende sfeer in dit deel van de wijk. We
zijn dan ook blij als we Chinatown bereikt hebben. Al snel wordt
duidelijk dat Chinatown in Vancouver de uitstraling mist van de
gelijknamige wijk in San Fransisco. De Dr. Sun Yat-Sen Classical
Chinese Garden, die ook ter gelegenheid van de Expo van 1986
aangelegd werd, blijkt vergane glorie. Daarom ‘hiken’ we langs de
dealers terug naar Gastown. Op weg naar de auto passeren we het
symbool van Gastown, de eerste Steam Clock ter wereld, op het
moment dat deze met een stoomwolk uit een stoomfluit aangeeft dat
het 15.00 uur is.
We trekken de conclusie dat de meeste
Amerikaanse/Canadese steden ons niet kunnen bekoren en besluiten
daarom vanmiddag nog te vertrekken naar Vancouver Island. Als
we bij de Horse Shoe Bay arriveren blijkt de pont van 15.30
uur helaas net vertrokken. Er zit niets anders op dan wachten op de
volgende ferry. Om 17.00 uur vetrekken we naar het grootste eiland
voor de kust van de Amerika’s. De kust die we tijdens de 1½ uur
durende overtocht aan ons voorbij zien trekken doet ons sterk denken
aan de Noorse fjorden. Om 18.40 uur verlaten we de ferry en rijden
meteen naar het noorden met Tofino als eindbestemming.
Terwijl we tanken in Parksville (19.15 uur) wordt ons verteld
dat Tofino inderdaad de beste plaats is voor het ‘whale watchen’.
Hoewel de rit naar dit kleine plaatsje aan de westkust van het
eiland nog zo’n 3 uur zal duren besluiten we er toch vandaag nog
heen te rijden. We moeten namelijk morgenvroeg in Tofino zijn omdat
we niets gereserveerd hebben. Helaas rijden we op het eiland, dat
ons opnieuw aan Noorwegen en zijn fjorden doet denken, het slechte
weer tegemoet. Mede hierdoor wordt het sneller donker en is het
lastig rijden naar de westkust van Vancouver Island. De geplande
camping aan het strand is helaas vol. Na wat zoeken arriveren we om
22.15 uur op de (surf)campground Pacific Rim en worden stevig
afgezet als blijkt dat een ‘site’ 39 can$/nacht kost. De eigenaar
kan vragen wat hij wil, het heeft namelijk geen zin nu nog te gaan
zoeken naar een goedkopere campground. In het donker zetten we de
tent op en eten vervolgens wat brood en yoghurt uit de (te) dure
kampwinkel. Nadat we per telefoon het ‘whale watching’ voor morgen
hebben gereserveerd gaan we snel slapen.
188 Miles
9e Dag 30-07-1998 Tofino – ‘Whale Watching’ –
Pacific Rim National Park - Nanaimo
Als we na een regenachtige nacht om 7.00 uur
opstaan, is het eiland helaas nog steeds in mist en wolken gehuld.
We rijden naar Tofino en ontbijten vervolgens in een restaurantje
vlakbij de haven. Om 8.30 uur melden we ons bij de balie van
Seaside Adventures, voor het ‘whale watching’ op de Pacific
Ocean. We hijsen ons in een dik ‘thermo’-pak en steken, voor als het
onderweg echt koud wordt, handschoenen en een muts in de zakken.
Even later stappen we met nog 6 anderen in een speedboot en beginnen
aan de tocht van 35 minuten naar één van de gebieden in de ‘Pacific’
waar de walvissen zich in deze tijd van het jaar ophouden.
Na de eerste stop, bij een eilandje met een nest
jongen van een zeearend, komen we onderweg 3 papagaai duikers tegen.
Als we deze prachtige vogels te dicht naderen doen ze hun naam eer
aan en duiken onder om een heel eind verder weer op te duiken. Op
een aantal van de eilanden die we passeren, nu nog bewoond door een
klein aantal indianen, vilden vroeger de voorouders van deze
‘natives’ de door hun gevangen walvissen. Als we de eilanden achter
ons laten geeft de schipper gas. De speedboot springt over de
golven. Hierdoor vangen wij op de voorste bank weliswaar de hardste
klappen, maar hebben wel het beste uitzicht. Desondanks is de
schipper ons voor. Hij legt de boot stil omdat hij een bultrug heeft
zien springen. Hij legt uit dat dit gedrag hoort bij de techniek
waarmee de ‘hump back’ zijn voedsel vangt. De walvis blaast onder
een school vissen lucht uit om vervolgens de opstijgende luchtbellen
achterna te zwemmen. Door de luchtbellen raken de vissen
gedesoriënteerd en zwemmen niet weg. De bultrug hoeft hierdoor
slechts zijn bek open te houden en de vissen uit het water te
scheppen. De walvis duikt met hoge snelheid op en kan aan het eind
van de jacht met een groot deel van zijn gigantische lichaam boven
het water uitspringen. De bultruggen laten zich niet vaak benaderen
omdat de motoren van de boten hun voedsel verjagen. Daarom heeft de
schipper de motor uitgezet. Niet voor niets blijkt even later. Op
een paar honderd meter zien we de ruggen van 2 of 3 bultruggen door
het spiegelgladde water van de Pacific snijden. Omdat het windstil
is kunnen we het blazen van deze dieren uitstekend horen. Plotseling
springt er één vlak voor onze boot uit het water, waarschijnlijk met
z’n bek vol vis. We genieten van de walvissen die om ons heen aan
het jagen zijn. Volgens de schipper komt het niet vaak voor dat in
dit gebied bultruggen jagen, we hebben dus geluk. We vervolgen onze
route langs de kust op zoek naar de ‘grey whale’. Deze walvis eet
kriel en omdat deze kleine diertjes zich niet weg laten jagen
negeert deze walvis boten en laat zich makkelijker benaderen dan de
‘hump back’: aldus de schipper. Opnieuw heeft hij niets te veel
gezegd als we voor de kust plotseling een aantal nevelfonteintjes
zien die ontstaan als de walvissen uitblazen. Het blijken ± 6 grijze
walvissen te zijn. Terwijl ze zoeken naar kriel zwemmen ze met de
rug boven water en blazen regelmatig lucht uit de opening op de rug.
Als de grijze walvis naar voedsel duikt steekt hij eerst de kop wat
hoger en verdwijnt vervolgens onder water waarbij zijn staart even
helemaal boven water verschijnt. We genieten volop van dit
schitterende schouwspel terwijl we tussen deze dieren drijven. Veel
te snel is de tijd om en moeten we terug. Onderweg zien we een
zeehond en even later nog één, die zich op een hoge rots (een
verlaten vogelkolonie (?)), heeft laten verassen door de eb. Terug
in Tofino trekken we onze pakken uit en drinken nog een kop warme
‘choco’ bij Seaside Adventures.
Tofino ligt aan de rand van het Pacific Rim
National Park Reserve. Voor we terugrijden naar de oostkust
willen we een bezoek brengen aan dit park dat zich over een afstand
van 100 kilometer langs de kust van de Stille Oceaan uitstrekt.
Vanaf de ‘viewpoints’ aan de voet van de Radar Hill en bij de
resten van het radarstation uit de 2e wereldoorlog op de
top van deze heuvel hebben we een goed uitzicht over Long Beach
en het regenwoud langs de kust van het eiland. Zo’n 3 miles verder
parkeren we de auto opnieuw, ditmaal bij het startpunt van het
Schooner Cove Trail. Via dit ‘trail’ lopen we over een pad van
houten vlonders, bruggen en trappen door een prachtig groen
regenwoud. Langs de route naar het strand bij Schooner Cove
lijkt alles bedekt met mossen en varens. Het blijkt eb te zijn als
we het strand oplopen. We ‘hiken’ langs drooggevallen eilandjes naar
de branding. Hier zien we in plassen tussen rotsen grote zeesterren
in verschillende kleuren, krabbetjes die in slakkenhuizen leven en
prachtige groene zeeanemomen. Terug bij de auto vervolgen we onze
route naar het zuiden. De volgende stop is bij de Wickaninnish
Inn, een informatie-centrum van het park aan de Wickaninnish
Bay. Het uitzicht over de baai is mooi maar de onvoorstelbare
hoeveelheid bomen die door de oceaan op het strand zijn geworpen
maken de plek echt bijzonder. Na een kort bezoek aan de
tegenvallende Wickaninnish Inn verlaten we het park.
Op de terugweg naar de oostkant van het eiland
besluiten we de steden Nanaimo en het in het zuiden gelegen Victoria
te laten schieten en morgen met de eerste ferry (6.30 uur) terug te
varen naar het vaste land. Onderweg tanken we en kopen een paar
‘cokes’ en uiteraard wat ‘beef jerky’. Aan het eind van de middag
hebben we, even voor Nanaimo, een (oude vandagen) ‘campground’ (18
Can$) aan de Strait of Georgia gevonden. Als de tent staat werken we
de administratie bij en lezen wat tot het etenstijd is. In het
winkelcentrum vlakbij de camping eten we en tappen wat ‘flappen’.
Terug op de camping kruipen we na een mooie zonsondergang boven de
‘strait’ in onze slaapzak. We zijn niet voor niets naar Vancouver
Island gekomen, nog steeds onder de indruk van onze ‘ontmoeting’ met
de ‘whales’ gaan we om 22.00 uur slapen.
140 Miles
10e Dag 31-07-1998 Nanaimo – Revelstroke National
Park - Revelstroke
Het is 5.00 uur als de wekker afloopt. Een
halfuur later rijden we naar het vertrekpunt van de ferry’s in
Nanaimo. Hier vernemen we dat de ferry van 6.30 uur door mechanische
problemen waarschijnlijk vertraging zal hebben. Als om 6.30 uur de
kassa’s open gaan wordt ons niet precies duidelijk wat er aan de
hand is. Of de ferry is vol (reserveringen) of hij is nog niet
gerepareerd, in elk geval kunnen wij niet mee. De kassiere verwijst
ons naar Duke Point, zo’n 20 mile verder. De ferry naar
Vancouver vertrekt daar om 7.45 uur. Als we een halfuur later bij
Duke Point in de rij staan voor de ferry naar Tsawwassen
horen we via de radio dat in Nanaimo niet alleen de ferry van 6.30
uur maar ook die van 8.30 uur uitgevallen is. Anderhalf uur later
dan gepland laten we Vancouver Island achter ons en beginnen aan de
twee uur durende oversteek naar het vaste land.
Om 10.10 uur rijden we van de boot af, highway 1
op en de drukte van Vancouver in. Pas nadat we om 11.00 uur getankt
hebben kunnen we wat vaart maken. We verlaten highway 1 en rijden de
Coquihalla Highway op. Deze tolweg (10 Can$) voert ons via de
Coquihalla Pas (1244 meter) de bergen en opnieuw het slechte
weer in. Als Paul wakker is stoppen we in Merrit, één van de
weinige stadjes langs de ‘highway’, om wat te eten. In een
Koreaans-restaurantje bestellen we een hamburger met friet. De
Koreanen die in dit restaurant eten, krijgen een rijstschotel
voorgeschoteld die er zo lekker uit ziet dat wij spijt hebben van
onze hamburger. Terwijl we onze route naar het noorden vervolgen
besluiten we van de geplande route af te wijken. Jasper in
het noorden van het Jasper National Park halen we vandaag
namelijk niet meer. In plaats daarvan willen we bij Kamloops
naar het oosten rijden, richting de Rocky Mountains. Via het
Banff National Park kunnen we dan alsnog het aangrenzende
Jasper National Park bezoeken. Bovendien doorkruisen we dan morgen
op weg naar het Banff National Park twee extra parken, namelijk het
Glacier National Park en het Yoho National Park. We
proberen aan het eind van de dag in Revelstroke te zijn zodat
we misschien nog wat kunnen zien van het kleine Revelstroke
National Park.
Als we dit nationale park(je) naderen klaart het
weer wat op. Bij de ingang wordt duidelijk dat er geen camping in
het park is. De ranger belt naar een camping in Revelstroke om te
informeren of er nog plaats is. Als dit zo blijkt te zijn rijden we
daar eerst heen om de tent op de zetten. Bij het inchecken wijst de
eigenaresse ons op het feit dat de Lamplighter Campground
(15.50 Can$) pal aan het spoor ligt. Omdat wij er, net als in
Vancouver waar de campsite ook aan het spoor lag, niet wakker van
zullen liggen zetten we de tent op (18.00 uur). Vervolgens rijden we
terug naar het park en informeren bij de ranger of er een kans is
dat we ‘wildlife’ tegenkomen. Hoewel er marmotten in het park leven
en er de afgelopen weken een zwarte beer en een cougar (katachtige)
gesignaleerd zijn geeft ze ons weinig kans. Desondanks rijden we
toch via de 26 kilometer lange Meadows In The Sky Parkway
naar het op 1600 meter hoogte gelegen Balsam Lake. Onderweg
hebben we een mooi uitzicht op de Selkirk Mountains. Het
Balsam Meer blijkt een klein meertje te zijn dat temidden van
dennenbossen en bloeiende alpenweiden ligt. Nadat we om het meer
heen gewandeld hebben besluiten we terug naar Revelstroke te rijden
omdat er hierboven niet veel meer te zien is.
Zonder op de terugweg ‘wildlife’ te hebben gezien
rijden we Revelstroke in om wat te gaan eten. We hebben zin in een
‘salad-bar’ en kiezen daarom een beaf en pizza gigant uit. Aan het
tafeltje naast ons blijken Brabanders te zitten die niet echt kunnen
wennen aan Canada. Als we om 21.15 uur terug op de camping zijn
pakken donkere wolken zich samen boven de bergen, we krijgen regen.
De onweersbui barst los als we net in de slaapzak liggen (22.30
uur). Omdat we moe zijn wachten we het eind van de bui niet af, we
gaan slapen.
434 Miles
11e Dag 01-08-1998 Revelstroke – Banff National
Park – Jasper National Park
Als de wekker om 5.30 uur afloopt hebben we nog
geen zin om op te staan en slapen een halfuurtje uit. Nadat we voor
de laatste keer tevergeefs met de Amerikaanse GSM naar Nederland
proberen te bellen verlaten we om 6.30 uur Revelstroke.
Als we de Rocky Mountains naderen wordt het weer
slechter en slechter. De vochtige lucht, afkomstig van de Stille
Oceaan, zorgt voor een enorme hoeveelheid neerslag in de
Colombian Mountains. In de omgeving van Rogers Pass, het
hart van het Glacier National Park, regent het om de andere dag.
Vandaag is zo’n regenachtige dag, zodat we vrijwel helemaal niets
zien van de route door het Glacier National Park en de ruim 400
gletsjers waaraan het park zijn naam dankt. We besluiten dan ook de
rit over de Rogers Pass over te slaan en meteen door te rijden naar
het Yoho National Park. Het weer blijkt hier niet veel beter te zijn
zodat ook hier het landschap achter de wolken verborgen blijft.
Als we het park verlaten steken we de staatsgrens
van Alberta over en rijden het aangrenzende Banff National Park in.
Omdat we inmiddels ook de grens van de ‘Mountain Standard Time Zone’
gepasseerd zijn zetten we de klok een uur vooruit. Het is 10.00 uur
als we in het Lake Louise Visitor Center informeren naar de
weersverwachting voor de komende dagen. Deze luidt: waarschijnlijk 2
dagen slecht en overmorgen goed. Vervolgens bellen we even naar
Nederland.
Als we de auto parkeren op een zeer grote
parkeerplaats wordt duidelijk dat Lake Louise een
toeristische trekpleister is. Inmiddels is het iets helderder
geworden zodat we een goed uitzicht hebben op het prachtige bergmeer
tussen de besneeuwde bergen met aan de oever het walgelijke
Château Lake Louise. Uit de reisgidsen hadden we inmiddels
begrepen dat het meer en het ‘Disney’-kasteel enorm in trek zijn bij
Japanners, door een soapserie. Desondanks zijn we verrast als we
tussen honderden Japanners langs de oever van het meer lopen. Nadat
we in Lake Louise Village getankt hebben rijden we door naar
Banff. Het blijkt een super toeristisch stadje te zijn met
veel winkelstraten, hotels en restaurants. Bij een Mexicaans
restaurantje eten we wat. In de hoop dat we het Banff National Park
op de terugweg beter zullen zien rijden we vervolgens via de
Icefields Parkway naar het Jasper National Park. Onderweg
stoppen er voor ons plotseling auto’s. Ons vermoeden dat er
‘wildlife’ moet zitten wordt snel bevestigd. Op slechts een paar
meter afstand zien we een zwarte moeder beer met 2 kleintjes in de
berm van de weg. Er blijken bessenstruiken langs de weg te staan.
Terwijl ze de bessen eten en stenen opzij gooien op zoek naar
knollen (?) trekken ze zich niets aan van de zenuwachtige toeristen
en de verkeersopstopping die ze veroorzaken. Terwijl we de ene na de
andere foto maken genieten we volop van de dieren.
Het laatste deel van de route door het Banff
National Park giet het, maar als we bij de Colombia Icefields
in het Jasper National Park aankomen breekt de zon door. Hierdoor
hebben we een prachtig uitzicht over de gletsjers van het ‘icefield’
die prachtig in het licht liggen. Het Columbia Icefield is met in
totaal 325 km2 het grootste ijsveld van de ‘Rockies’. De gemiddelde
dikte van het veld bedraagt 365 meter, met een maximum van 900
meter. Aangezien de campings onderweg vol beginnen te lopen gaan we
op zoek naar een plekje voor de nacht. Om 18.00 uur weten we één van
de laatste plekjes op de Jonas Kreek Campsite te bemachtigen.
Het blijkt een eenvoudige ‘site’ te zijn met alleen de hoogst nodige
voorzieningen. Er is slechts een chemisch toilet en geen stromend
water, maar ons plekje midden in de bossen is prima. We betalen de
‘site’ door een envelopje met geld (13.00 Can$) in een brievenbus te
stoppen. Op zoek naar een hapje eten rijden we terug naar het
Icefield Park Center vlak bij de Athabasca Glacier die
deel uitmaakt van de Columbia Icefields. De snackbar blijkt
inmiddels gesloten te zijn en omdat we vanmiddag al goed gegeten
hebben laten we het peperdure restaurant voor wat het is. Na een
kort bezoek aan de permanente tentoonstelling over de Columbia
Icefields blijkt dat het weer inmiddels flink is opgeklaard.
Hierdoor hebben we vanuit het Visitor Center een goed uitzicht op de
Athabasca Glacier die voor een deel nog in de zon licht. We rijden
naar de parkeerplaats onder aan de gletsjer en ‘hiken’ vervolgens
naar het ijs. We klauteren over het blauwe ijs van de ‘toe’ (teen)
van de gletsjer. Het ijs is bedekt met puin van rotsen die door de
‘glacier’ vermalen zijn en stof dat door de wind meegevoerd wordt
uit de ‘Rockies’. Vanaf dit hoge ‘viewpoint’ is duidelijk te zien
dat de gletsjer de afgelopen eeuw 2 kilometer korter is geworden.
Ongeveer honderd jaar geleden lag de gletsjer tot aan de route van
de huidige Icefields Parkway. Nu rest er slechts een kaal
‘maanlandschap’. Met de schoenen vol met slijk rijden we terug naar
de Jonas Kreek Campsite.
Onderweg worden we opnieuw op ‘wildlife’
getrakteerd. Langs de weg en tegen een steile berghelling zien we
namelijk 6 White Mountain Goats. Verbaasd kijken we toe hoe behendig
de dieren de bijna verticale bergwand beklimmen. Als ze uit het
zicht zijn vervolgen we onze route. Terug op de camping gaan we in
verband met de kou, het tijdsverschil en de plannen voor morgen
vroeg op stok (21.15 uur)
380 Miles
12e Dag 02-08-1998 Jasper National Park
Door de kou zijn we vroeg wakker. We kruipen nog
even extra dicht tegen elkaar aan om weer warm te worden. Aangezien
dit niet lukt staan we op en pakken alles in. Als we uit de tent
komen is tot onze grote verbazing de lucht strak blauw, dit in
tegenstelling tot de weersvoorspelling. Bij gebrek aan stromend
water op de ‘campsite’ poetsen we onze tanden met wat water uit de
kruiken. Het is 7.00 uur als we vertrekken.
We rijden opnieuw terug naar het Icefield Park
Center, het vertrekpunt van de Snocoach Tour over de 7
kilometer lange Athabasca Glacier. In het ‘center’ kopen we een
kaartje en wachten buiten in de zon tot het 9.00 uur is. Een gewone
bus brengt ons vervolgens naar het vertrekpunt van de ‘snocoaches’
boven op de moraine, de puinrand langs de gletsjer. Hier stappen we
over op een zogenaamde ‘snocoach’, een speciaal voor het rijden op
de Athabasca Glacier ontwikkeld voertuig. Meteen na het vertrek
wordt duidelijk waarom deze grote bus, op banden met een diameter
van ± 1.75 meter, zo bijzonder is. Onder een hoek van maar liefst
dertig graden dalen we van de moraine af naar het ijs. Aan de voet
van de puinrand stroomt smeltwater van de gletsjer dat door de
chauffeurs van de ‘snocoaches’ gebruikt wordt om de banden schoon te
spoelen. Hierdoor voorkomt men dat de ‘weg’ over de gletsjer
vervuilt raakt. Deze vervuiling zou er onder invloed van de
zonnewarmte namelijk voor kunnen zorgen dat de gletsjer sneller
smelt. Over een voor de ‘coaches’ geprepareerde ‘weg’ rijden we met
zo’n 18 kilometer per uur, de maximumsnelheid van de ‘coach’, over
de ‘ijsrivier’ naar het enkele kilometers verder gelegen eindpunt.
Het uitzicht op de gletsjer vanuit het dal of vanaf de ‘toe’ is
bijzonder maar toch anders dan het ‘iceseeing’ op de gletsjer. Op
het eindpunt van de route verlaten we de ‘snocoach’. Het uitzicht
over de ‘glacier’ en de ‘Rockies’ is prachtig. Gelukkig zijn er nu
nog maar enkele ‘snocoaches’ op het ijs en valt het mee met de
drukte. Door de ‘snocoaches’ die onderweg naar boven zijn krijgen we
een indruk van de grootte van de Athabasca Glacier. Na 20 minuten
stappen we weer in en rijden terug naar beneden. Om 10.15 uur zijn
we terug in het ‘visitor center’. Na een sandwich rijden we om 10.35
uur verder richting Jasper.
Onderweg passeren we een plek waar een deel van
de berg plaats heeft moeten maken voor de Icefields Parkway. Op de
hoge rotswand langs de weg staat een kudde van zo’n 10 ‘big horn
sheep’. Het uitzicht op de schapen met één van de gletsjers van het
Columbia Icefield op de achtergrond tegen een strak blauwe lucht is
schitterend. Even later dalen de ‘big horn sheep’ met het grootste
gemak af van de rotswand en wandelen tussen de auto’s door naar een
plek waar water langs de bergwand naar beneden stroomt. Nu wordt
duidelijk wat de dieren hier komen zoeken. De oudere dieren brengen
de jonge schapen naar deze plaats zodat deze hier de mineralen van
de natte rotswand kunnen likken. We vervolgen onze route en genieten
onderweg van het mooie uitzicht op de Rocky Mountains en het
prachtige weer. De volgende stop is bij de Athabasca Falls.
Vanaf een brug zien we hoe de Athabasca River zich hier in
een nauwe 23 meter diepe kloof stort. Gezien de drukte en het feit
dat we gisteren één van de laatste plaatsen op een eenvoudige
camping hadden besluiten we om eerst een site op één van de campings
in de omgeving van Jasper te gaan reserveren. Het wachten in de rij
voor de ingang van de Wapiti Campsite (15.00 Can$) blijkt de
moeite waard. Hoewel de camping maar liefst 330 plaatsen telt,
hebben we een mooi en rustig plaatsje in de bossen. We zetten de
tent op en rijden om 13.00 uur weer het park in.
Via Jasper, waar we kort stoppen om te tanken,
vervolgen we onze route naar het op 1673 meter hoogte gelegen en 22
kilometer lange Maligne Lake. Onderweg passeren we het
Medicine Lake. Als we bij Maligne Lake arriveren (14.00
uur) blijkt het ook hier erg toeristisch te zijn. We besluiten, mede
gezien de lange wachttijd, de anderhalfuur durende boottocht naar
het beroemde Spirit Island niet te maken. In plaats hiervan
‘hiken’ we een stukje langs het ‘lake’ en genieten van het mooie
uitzicht over het meer dat omgeven is met ‘kerstbomen’. Op de
terugweg zien we de rafts op de Maligne River die vanaf het
meer vertrokken zijn. Na ons avontuur van vorig jaar op de
Zambezi in Afrika lijkt het erop dat raften in de Rockies
voor ‘mietjes’ is. Langs de weg zien we een ‘wapiti’. Het is 15.30
uur als we beginnen aan de ‘hike’ over de ‘rim’ van de Maligne
Canyon. Tijdens de wandeling tot aan de 4e brug is op
slechts enkele plaatsen langs de, tot 55 meter diepe en zeer smalle,
canyon het water van de Maligne River vanaf de ‘rim’ te zien. Mede
hierdoor is het uitzicht vanaf de 'viewpoints' zeker de moeite
waard.
Terug in Jasper bezoeken we het ‘visitor center’
en informeren daar naar het weer voor morgen: ‘sunny’. De sfeer die
we proeven als we door het stadje wandelen is een stuk gemoedelijker
dan in Banff. Dit komt waarschijnlijk doordat Jasper en dit
‘national park’ toch wat minder toeristisch zijn als Banff en het
Banff National Park. We besluiten de tocht met de Jasper Tramway,
een kabelbaan naar de 2500 meter hoge top van de Whistlers,
tot morgen uit te stellen omdat het inmiddels behoorlijk heiig is.
Het is tijd om een hapje te gaan eten. Na een ijsje rijden we nog
een stukje in de omgeving van Jasper in de hoop nog wat wild te
zien. Met een score van 3 ‘wapitis’ vinden we het genoeg en rijden
terug naar de ‘campsite’. Bij een kampvuurtje werken we de
administratie bij en gaan om 22.30 uur op stok.
201 Miles
13e Dag 03-08-1998 Jasper National Park – Banff
National Park – Kootenay Nat. Park
Omdat het bij het vertrek om 7.35 uur opnieuw
heiig blijkt te zijn schrappen we de Jasper Tramway van het
programma. In plaats daarvan rijden we naar de top van Mount
Edith Clavel. Het uitzicht over het landschap en de Angel
Glacier vlak onder de top van de berg zijn mooi, maar niet echt
spectaculair. We besluiten daarom niet over de moraine naar de
gletsjer te ‘hiken’. Na een bezoek aan de gedenksteen van Edith
Clavel, een verpleegster die in de 1e wereldoorlog
gevangenen hielp ontsnappen, rijden we terug naar beneden. Als we in
het dal highway 93A opdraaien richting Banff zien we
opnieuw 2 ‘wapitis’.
Net na het Columbia Icefield rijden we het Banff
National Park in. Gelukkig hebben we in tegenstelling tot
eergisteren vandaag schitterend weer zodat het landschap langs de
route ditmaal niet achter de wolken verborgen blijft. Bij de
Saskatchewan Crossing eten we een hapje (11.30 uur). Vervolgens
rijden we verder door het park richting Lake Louise. Het is 12.10
uur als we naar de langs de route gelegen Bow Summit ‘hiken’.
Vanaf de top van deze heuvel hebben we schitterend uitzicht over het
turqoise Peyto Lake. Het meer dankt zijn kleur aan de
deeltjes die door het smeltwater van de gletsjers aangevoerd worden
en die het groene en blauwe licht uit het lichtspectrum
weerspiegelen. Ruim een halfuur later vervolgen we onze route en
passeren onderweg de Crawfoot Glacier.
Om 14.00 uur arriveren we opnieuw bij het Château
Lake Louise. Het blijkt er bijzonder druk te zijn want ditmaal is de
grote parkeerplaats overvol. Omdat we geen plekje kunnen vinden
nemen we de gok en parkeren dubbel. Vervolgens ‘hiken’ we naar het
meer. Omdat er net een wolk voor de zon schiet moeten we even
wachten maar zien Lake Louise dan toch in de volle zon liggen. Dat
was precies de reden waar we voor teruggereden zijn. Omdat we ons
nog steeds niet thuis voelen in dit ‘klein Japan’ en dubbel
geparkeerd staan lopen we terug naar de auto. Ons volgende doel is
Lake Moraine, een wat kleiner meer dat in de bergen boven
Lake Louise ligt. Ook bij dit ‘lake’ blijkt het bijzonder druk te
zijn. Met wat geluk hebben we echter vrij snel een parkeerplaatsje.
Het blauwe meer ligt er prachtig bij tussen de morainen die hun naam
aan het meer hebben gegeven. Op de achtergrond verrijzen de 10
Wenchemna Peaks, die in het verleden het meer en de morainen
door hun gletsjers gevormd hebben en hun naam danken aan de
Stoney-indianen. In hun taal betekent ‘wenchemna’ namelijk 10. We
‘hiken’ een stuk langs de oevers van het mooie meer.
Terug bij de auto hebben we genoeg van de drukte.
Nadat we om 15.05 uur in Lake Louise Village getankt hebben, laten
we bij Vermillion de twee nationale parken met de mooie
bergen, meren en vergezichten, het indrukwekkende Colombia Icefield,
het schitterende ‘wildlife’, de walgelijke château’s, de staat
Alberta en niet te vergeten veel te veel Japanners achter ons en
rijden het Kootenay National Park en opnieuw de staat British
Colombia in. Via de Bow Valley Park Way rijden we door het
park en passeren weer een ‘continental divide’, waar de gevolgen van
een bosbrand uit 1968 nu nog duidelijk zichtbaar zijn. De volgende
stop is bij de Marble Canyon. Via een 800 meter lang ‘trail’
wandelen we langs de ‘rim’ van de canyon. Door de diepte en de
geringe breedte van de kloof zien we de Tokumm Creek slechts
af en toe als we vanaf een bruggetje de canyon in kijken. Vanaf een
brug aan het eind van het ‘trail’ zien we de ‘creek’ rustig stromen.
Vervolgens stort het water zich via een waterval onder de brug zo’n
30 meter omlaag in het begin van de canyon. Op de terugweg naar de
parkeerplaats valt het ons op hoe het troebele water van de Tokumm
Creek zich vermengt met het heldere water van de Vermillion River.
Na een korte stop bij het Kootenay Valley Viewpoint daalt de
weg snel en verlaten we bij Radium Hotsprings het Kootenay
National Park en de ‘Rockies’.
Na wat zoeken vinden we uiteindelijk de mooie
Red Streak Campground (22.00 Can$) van het ‘national park’ aan
de rand van het toeristische stadje. Als de tent staat en we terug
willen rijden naar het centrum staat er net buiten de ingang van het
park een prachtig ‘big horn sheep’. Het is de eerste die we zien met
volgroeide ‘big horns’. We gaan op zoek naar de warm waterbronnen
waar Radium Hotsprings om bekend staat. De Canadezen zouden de
Canadezen niet zijn als ze ook van dit natuurverschijnsel geen
pretpark zouden hebben gemaakt. Boven de bronnen is een toeristisch
openluchtzwembad gebouwd. Helaas zijn hierdoor de bronnen niet meer
te bezoeken. Nadat we in ‘Radium’ wat inkopen hebben gedaan, gaan we
op zoek naar een restaurantje waar we buiten kunnen eten omdat het
nog steeds heet is. Als de terrassen vol blijken te zitten besluiten
we dan maar binnen een hapje te eten. De ober verontschuldigt zich
voor het feit dat het zo druk is, met als excuus het lange weekend
van de Canadezen uit Alberta. Dat verklaart voor ons de enorme
drukte van de afgelopen dagen in de nationale parken rond Jasper en
Banff.
Terug op de camping maak ik (Paul) weer een
kampvuur. Omdat we eindelijk weer een ‘site’ met alle voorzieningen
hebben gaan we lekker douchen. Monique is moe en gaat vroeg slapen.
Omdat ik (Paul) niet met een brandend kampvuur midden in de bossen
wil gaan slapen werk ik de administratie bij terwijl het vuur dooft.
Het is 22.30 uur als ik ook ga slapen.
295 Miles
14e Dag 04-08-1998 Kootenay National Park – Glacier
National Park - Helena
Om 6.25 uur vertrekken we richting Amerika.
Anderhalf uur later passeren we, net voorbij Roosville, de
Canadese grens. Terug in het land van de US$, de ‘miles’ en de
graden fahrenheit moeten we weer even omschakelen. In Eureka tanken
we en bellen naar Nederland voor het laatste nieuws. Een paar miles
verder op de route moeten we stevig in de remmen omdat 2 herten de
weg oversteken.
We arriveren om 10.35 uur bij de westelijke
ingang van het Glacier National Park dat samen met het
Canadese Waterton Lakes National Park een ‘international peace
park’ vormt. Via de Going to the Sun Road rijden we het park
in. Het eerste deel van de route voert langs het Lake McDonald.
Net na het meer stoppen we bij de McDonald Falls. Op het
viewpoint boven de ‘falls’ eten we een mok cornflakes als ontbijt.
Bij het begin van de smalle Logan Pass rijden we door een
gebied dat in 1978 door een bosbrand vernietigd is. Pas als we boven
de boomgrens komen krijgen we voor de eerste keer een indruk van het
indrukwekkende landschap in het park. De uitzichten, vanaf de
diverse ‘viewpoints’ langs de route, over de door gletsjers
geschapen scherpe toppen, steile bergwanden en diep dalen zijn mede
door het prachtige weer schitterend. Het park moet zijn naam danken
aan de gletsjers die het landschap miljoenen jaren geleden gevormd
hebben. We hebben langs de route namelijk nog niet één gletsjer
gezien in het park. Op het hoogste punt van de beroemde Logan Pass
is het helaas zo druk dat het ons een kwartier kost om de auto te
parkeren bij het Logan Pass Visitor Center. De ‘squirls’, de
mooie bergweiden en de hangende tuinen achter het ‘vistor center’
kunnen ons niet verleiden tot een ‘hike’. Het is te toeristisch en
te heet. Waarschijnlijk is de hittegolf van de afgelopen weken in
dit gebied ook de oorzaak voor het feit dat er vrijwel geen sneeuw
in het park te zien is. Tijdens de afdaling naar de oostelijke
uitgang van het park zien we langs de route in de verte toch nog één
van de gletsjers van het Glacier National Park. Bij het Saint
Mary Lake parkeren we de auto en ‘hiken’ naar de top van een
heuvel die voor een deel in het meer ligt. Het uitzicht vanaf de
heuvel over het meer met de groene spitse bergen op de achtergrond
is adembenemend. Als de geplande ‘campsite’ net voor de uitgang van
het park vol blijkt te zijn besluiten we door te rijden. Door
vandaag extra kilometers te maken hebben we morgen in het
Yellowstone National Park wat extra tijd. Het is 14.50 uur als
we het Glacier National Park verlaten. Het landschap van dit kleine
park heeft meer indruk gemaakt dan de nationale parken die we de
afgelopen dagen in de Canadese Rockies bezocht hebben.
Als we slechts enkele ‘miles’ buiten het park de
bergen verlaten kijken we uit over een ‘oneindige’ vlakte, het begin
van de Great Plains. Na twee weken bergen en dennenbomen is
het even wennen aan het vlakke en kale landschap. Nadat we in het
Blackfeet Indian Reserve hebben getankt, rijden we parallel aan
de bergen naar het zuiden. In dit deel van de ‘States’ geldt geen
maximumsnelheid en omdat het rustig is op de ‘plain’ kunnen we
lekker doorrijden. Zo’n 270 extra ‘miles’ (!) verder gaan we in
Wolfcreek tevergeefs op zoek naar een camping. We vervolgen onze
route en rijden tegen 19.00 uur het in de heuvels gelegen Helena
binnen. Na wat zoeken vinden we een prima ‘campground’ (17.68 US$).
Als de tent is opgezet (19.15 uur) rijden we met een ‘riessen
hunger’ Helena in.
Terug op de camping lezen we wat en werken we in
de TV-kamer, tijdens een slappe aflevering van de X-files, het
dagboek bij. Om 22.15 uur gaan we slapen.
516 Miles
15e Dag 05-08-1998 Helena – Yellowstone National
Park
Het is 6.45 uur als we vertrekken naar het oudste
nationale park van Amerika, Yellowstone National Park. In Bozeman
stoppen we om te tanken en voor een uitgebreid ontbijt zodat we
vanavond met een hamburger toe kunnen. Men is in en rond het park al
jaren bezig de slechte wegen op te knappen. Hierdoor lopen we bij
een ‘roadblock’ vlak voor de ‘north entrance’ van het nationale park
een vertraging op van een uur.
We arriveren om 11.10 uur aan de rand van het
vulkanische Yellowstone Plateau dat omgeven wordt door 5 hoge
bergketens van de Rocky Mountains. Met een gigantische
vulkaanuitbarsting ontstond 600.000 jaar geleden een ‘caldera’ met
een doorsnede van 50 tot 70 kilometer en een diepte van 800 meter.
Grote lavastromen vulden in de loop van tienduizenden jaren de
ingestorte vulkaankrater weer tot de huidige hoogvlakte. Yellowstone
is nog niet helemaal tot rust gekomen. Het hele plateau verheft zich
nog steeds (15 mm/jaar) en in het park zijn nu nog zo’n 10.000
hydrothermale verschijnselen te vinden.
Via de grote poort bij de ‘north entrance’ rijden
we het park en de staat Wyoming in. Op een bord langs de
route zien we dat er nog maar enkele plaatsen zijn op slechts drie
‘campgrounds’ aan de rand van het park. Gezien de verwachte drukte
in dit seizoen hebben we in Nederland voor 6 en 7 augustus een
‘site’ gereserveerd op de camping bij het Canyon Village.
Omdat we echter een dag voor liggen op het geplande schema moeten we
voor vandaag nog een ‘campsite’ regelen. Op de vlakbij gelegen
Mamoth Campsite (12 US$) hebben we geluk. We reserveren een
‘site’ en rijden vervolgens naar Mamoth Hotsprings. Via de
houtenvlonders ‘hiken’ we langs de kalkterrassen. Het uitzicht over
de kalkterassen, die gevoed worden door heet kalkrijk water, is nog
steeds schitterend. Ook het ‘rotte eieren’ luchtje dat vrijkomt uit
de warm waterbronnen zijn we nog niet vergeten. We kopen wat te
drinken en een ijsje. Vervolgens rijden we verder naar Norris.
Hier bezoeken we het Norris Geyser Basin. Omdat we drie jaar
geleden Yellowstone later in het seizoen en dit bassin vroeg op de
dag bezocht hebben zorgden destijds de warmwaterbronnen voor
mistvorming in hun omgeving. De geisers en de bronnen gaven samen
met de mist destijds een bijzondere sfeer aan het park. Door het
hete weer en het tijdstip is er nu vrijwel geen mist en hebben we
ditmaal een vrij uitzicht op de warm waterbronnen met hun kleurrijke
bacterie-matten. Het uitzicht over de bassins is hierdoor anders
maar niet minder indrukwekkend. Terwijl we aardig verbranden tijdens
de ‘hike’ langs het Back Basin en het Porcelain Basin
genieten we volop van de unieke natuurverschijnselen.
De ‘campsite’ bij het Canyon Village (16.20 US$)
is ons volgende doel. Hoewel we nog geen bevestiging hadden blijkt
dat onze reservering voor de 6e en de 7e nog
steeds staat. Als ik (Paul) informeer naar de mogelijkheden voor
vanavond blijkt dat de camping vol is. We hebben geluk, mijn buurman
blijkt namelijk zijn site in te komen leveren. Ik leg hem uit dat we
eigenlijk al een ‘site’ gereserveerd hebben bij ‘Mamoth’ maar dat we
nu dankzij ‘zijn’ plaats niet helemaal terug naar het noorden hoeven
te rijden. Een andere Amerikaan pikt dit op en informeert of hij de
‘site’ in ‘Mamoth’ over kan nemen. Hij blijkt een grote camper te
hebben en omdat hij niet zeker is dat deze op de ‘tentsite’ past
twijfelt hij. Uiteindelijk geeft hij ons 10 US$ in plaats van de 12
US$ die het ons gekost heeft. Dik tevreden gaan we op zoek de
Grand Canyon of the Yellowstone. Vanaf de uitzichtpunten
Inspiration Point en Grand View kijken we uit over de
prachtige gele ‘canyon’ met een diepte van 360 meter. We besluiten
om hier morgenvroeg terug te komen als de zon in de canyon staat.
Via Norris rijden we vervolgens naar het zuiden. Door de drukte en
slechte toestand van de wegen vorderen we maar langzaam. Onderweg is
het aan de oever van de Firehole River plotseling een drukte
van belang. Terwijl ik de auto parkeer loopt Paul naar de rivier om
te kijken wat er te zien is. Aan de overkant van de rivier blijkt
dat er een prachtige mannetjes ‘moose’ in de rivier staat te
drinken. De schuwe eland begint zich helaas alweer in de bossen
terug te trekken als ik ook bij de rivier aankom. Bij de Fountain
Paint Pot ‘hiken’ we over het 800 meter lang pad van houten
vlonders opnieuw langs geisers, warmwaterbronnen en borrelende
modderpoelen. Met de neus vol van het ‘rotte eieren’ luchtje rijden
we in een lange file terug naar het Canyon Village en vandaar naar
de Hayden Valley. We willen namelijk voor het donker wordt
nog een blik op vangen van de bizons die zich vandaag nog niet
hebben laten zien. In de verte zien we een kudde van zo’n 150 dieren
grazen. Omdat we op wat witte pelikanen na vandaag geen ‘wildlife’
meer van dichtbij zullen zien rijden we terug naar het ‘village’ om
wat te eten.
Als we aansluiten in de rij voor het buffet van
het cafetaria wordt ons al snel duidelijk dat dit wel erg lang kan
gaan duren. Daarom ga ik op zoek naar de snackbar die we nog van
vorige keer kennen. Als blijkt dat hier nog genoeg plaats is haal ik
Monique. We stillen de honger met een broodje hamburger, een ‘chili
dog’ en een salade. Met wat te snoepen en te drinken uit de
supermarkt rijden we naar de camping. Het is 20.45 uur als we in het
donker de tent opzetten, die nog nat is van de afgelopen nacht. Een
uur later als het kamp klaar is, het reisverslag en de administratie
zijn bijgewerkt kruipen we in de slaapzak en lezen nog wat voor we
gaan slapen.
321 Miles
16e Dag 06-08-1998 Yellowstone National Park -
Jackson
Na een koude nacht staan we om 6.25 uur op. In de
hoop dat de bizons zich vandaag beter laten zien rijden we terug
naar de Hayden Valley. We hebben geluk, in de ‘valley’ staat langs
de rivier een kudde van zo’n 50 dieren. Door het luidruchtige geloei
van de stieren en de in laag hangende mist gehulde dieren hangt er
een mystieke sfeer in de ‘valley’. Sommige bizons slaan met de
voorpoten en werpen zo stofwolken op. Een enkele stier werpt zich op
de rug en rolt door het stof. Wat verder beginnen een aantal bizons
plotseling te rennen om daar vervolgens weer onverwacht mee te
stoppen. Terwijl de mist langzaam optrekt en de prachtige dieren om
ons heen lopen genieten we van dit bijna uitgestorven dier. De
bizons beginnen zich door de toenemende drukte langzaam terug te
trekken in de ‘valley’.
We rijden terug naar de ‘east rim’ van de Grand
Canyon of the Yellowstone. Via de Artist Drive rijden we naar
het Artist Point. Het uitzicht over de gele ‘canyon’ en de
Yellowstone River die zich hier middels de Lower Falls
ruim 90 meter in de ‘canyon’ stort is opnieuw fantastisch. Dat geldt
ook voor het uitzicht op de waterval vanaf het Lookout Point
op de ‘north rim’ van de ‘canyon’. Vanaf dit punt ‘hiken’ we naar
het dieper in de ‘canyon’ gelegen Red Rock Point, het
‘viewpoint’ dat het dichtst bij de Lower Falls ligt. Onderweg houden
we voortdurend een nest met 2 jonge visarenden in de gaten. Volgens
omstanders is de moeder al een tijdje weg en kan dus elk moment haar
jongen komen voeden. Als we de visarend om 9.30 uur nog niet gezien
hebben vertrekken we naar het zuidelijke deel van het park.
Via het Yellowstone Lake rijden we naar
Grand Village. Hier tanken we en annuleren de gereserveerde
‘campsite’ voor de komende 2 nachten. We willen aan het eind van de
middag namelijk ‘Yellowstone’ al verlaten en wat extra kilometers
maken gezien de lange rit van morgen. Het gebied rond de Old
Faithfull is ons volgende doel. Als we bij deze ‘ouwe trouwe’
aankomen blijkt dat deze net gespoten heeft. We hebben geen zin hier
ruim een uur te wachten tot deze geiser weer spuit en dus ‘hiken’ we
langs de Firehole River het achterland in. Via Geyser Hill
en de Castle-Grand Area wandelen we langs de prachtige
Beauty Pool, de Chromatic Spring, de Giant Geyser
en de Grotto Geyser. Bij de kleurrijke Morning Glory Pool,
opnieuw één van de hoogtepunten, draaien we om en ‘hiken’ in een
recordtijd terug in de hoop dat we op tijd zijn voor de Old
Faithful. Vanuit de verte zien we de geiser nog net spuiten. We zijn
te laat, of eigenlijk was deze redelijk voorspelbare geiser te
vroeg. Vervolgens zijn het Black Sand Basin en het Biscuit
Basin aan de beurt. Deze ‘basins’ staan bekend om hun mooie
warmwaterbronnen. Via vlonders lopen we tussen de ‘pools’ door
terwijl we genieten van de diep blauwe kleur van het hete water, de
prachtig gekleurde bacteriematten tussen de bronnen en de geisers
die om ons heen spuiten. Aan de stank die deze natuurverschijnselen
met zich meebrengen kunnen we maar niet wennen. Op de ‘parking’ van
het Biscuit Basin zien we een coyote de Firehole River overzwemmen.
Tot slot brengen we een bezoek aan de pools van het Midway Basin,
die zich door het ontbreken van mist ook hier beter laten zien dan
in ‘95.
Het is 15.15 uur als we ‘geyser country’ verlaten
en vertrekken richting de zuidelijke uitgang. Onderweg verlaten we
het gebied dat door de bosbrand in 1988 verwoest werd. De afgelopen
twee dagen hebben we in het hele park gezien dat de natuur zich
langzaam maar zeker van deze natuurramp hersteld. Desondanks zijn
we, mede door onze ervaring van vorig jaar in Afrika, opnieuw onder
de indruk van de vernietigende kracht van vuur. Mede hierdoor en de
combinatie van unieke hydrothermische verschijnselen met de
prachtige flora en fauna zal ‘Yellowstone’ net als in 1995 één van
de hoogtepunten van de reis zijn. Om 16.23 uur verlaten we het
Yellowstone National Park en rijden het aangrenzende Grand Teton
National Park in.
Langs de route staat aangegeven dat de
‘campsites’ in het park vol zijn. Nadat we bij één van de ‘sites’
tevergeefs hebben geïnformeerd of er plaatsen vrijgekomen zijn,
besluiten we het plan om in het park te camperen te laten varen. In
plaats daarvan willen we doorrijden naar Jackson en daar een
hotel zoeken. Een prettig idee omdat we sinds Eureka aan de Stille
Oceaan, 13 dagen geleden, niet meer in een bed hebben geslapen. We
vervolgen de route door het park naar het zuiden, langs het
Jackson Lake en de markante Teton Range, met zijn meer
dan 4000 meter hoge toppen.
Net buiten het park bereiken we Jackson, de
eerste en tevens zeer toeristische uitvalsbasis van ‘Teton’ en
‘Yellowstone’. Als we op zoek gaan naar een hotel blijkt dat we niet
de enige zijn. Pas als we Jackson bijna verlaten hebben en al weer
voorzichtig aan een camping beginnen te denken vinden we om 18.30
uur een kamer in een ‘6-motel’ (69.95 US$). We frissen ons snel op
en eten vervolgens in een restaurantje een paar 100 meter verderop
een taaie ‘steak’. Na het eten zijn we lui en gaan daarom in plaats
van naar het centrum van Jackson terug naar het hotel. Hier douchen
we en gaan vervolgens lekker lui op het bed liggen zappen. Als we
(bijna) slapen, laat zonder aanwijsbare reden de lijm los waarmee
een grote spiegel tegen de muur is geplakt. Met een klap komt het
ding neer en zitten wij klaarwakker rechtop in bed. Verbaasd dat de
spiegel nog heel is zetten we de TV af en lezen nog wat voor we om
21.30 uur opnieuw gaan slapen.
205 Miles
17e Dag 07-08-1998 Jackson – Dinosaur National
Monument – Colorado Nat. Monument
Om 5.45 uur krijgen we onze ‘wake up call’ met de
mededeling dat we 10.000.000 US$ hebben gewonnen. Omdat we nu geen
tent af hoeven te breken zijn we al om 6.05 uur op weg naar het
Dinosaur National Monument, in de staat Colorado.
In Farson tanken we en bellen kort naar
Nederland. Onderweg zien we het landschap langzaam veranderen. De
dennenbomen verdwijnen en bij Dutch John aan de oever van het
stuwmeer in de Flaming Gorge zien we de rode grond en rotsen
weer verschijnen die zo karakteristiek zijn voor dit deel van de
‘States’. Het is 11.30 uur als we kort stoppen om in een
‘information center’ van de staat Colorado wat informatie op te
vragen over het Dinosaur National Monument. Een halfuur later
arriveren we bij de halte van de ‘shuttle bus’ naar het monument.
De bus brengt ons in 2½ minuut (!) naar de
‘dinosaur quarry’. Men heeft over deze groeve een ‘visitor center’
gebouwd om de opgegraven resten van dinosaurussen te beschermen
tegen dieven en de weersomstandigheden. Één wand van het gebouw
bestaat uit een steile bergwand waaruit op diverse plaatsen de
versteende resten van verschillende dinosaurus soorten naar buiten
steken. Omdat er naast de werkplaatsen, wat gereedschappen en een
aantal kleine replica’s van ‘dino’s’ niet veel meer te zien is valt
het monument ons behoorlijk tegen. Een ranger verteld vervolgens een
(te) lang verhaal over de geschiedenis van de ‘quarry'. In de
prehistorie voerde een rivier de karkassen en botten van
dinosaurussen aan naar deze plaats. Deze werden vervolgens in het
zand gepreserveerd. In het begin van de 19e eeuw gaf Sir
Carnegie aan Earl Douglass de opdracht op zoek te gaan naar iets
groots dat hij kon tentoonstellen in het grote gebouw dat hij had
laten bouwen, het Carnegie Museum. Het duurde tot 1909 voordat
Douglass, op de plaats waar zich nu de ‘quarry’ bevindt, in een
heuvel zijn ‘grote’ vondst deed in de vorm van dinosaurusbotten. In
de jaren die volgden groef Douglass vrijwel de gehele heuvel af.
Hierdoor is, mede gezien het feit dat er maar liefst 350 ton botten
afgevoerd zijn naar het museum, de ‘quarry’ niet veel meer dan een
lege bouwput. We houden de opgraving dan ook snel voor gezien en
rijden om 13.00 uur met de ‘shuttle bus’ terug naar beneden. Het
park werd in 1938 uitgebreid met de ‘canyons’ van de Green River
en de Yampa River. Hoewel deze woeste gebieden nu nog steeds
vrijwel niet toegankelijk zijn rijden we via de Cub Creek Road
een stukje het park in om een indruk te krijgen van het landschap.
Langs de onverharde weg naar de Josie Morris Cabin stoppen we
kort bij een aantal rotstekeningen van indianen. De ‘cabin’ van
Josie Morris blijkt een vervallen huisje te zijn dat men in stand
houdt als monument voor het harde leven van de blanke pioniers in
deze regio. Op de terugweg stoppen we kort bij de Split Mountain.
In onze planning hadden we een hele dag voor dit
park opgenomen. Omdat er in de directe omgeving niet veel te doen is
besluiten we verder te rijden naar het Colorado National Monument.
In Dinosaur maken we een tankstop. Het is 16.50 uur als we
net na Fruita bij het Colorado National Monument arriveren.
Terwijl we naar de top van het plateau rijden raken we gefascineerd
door het landschap met rode rotsen en diepe ‘canyons’. Onderweg
passeren we onder andere de Balanced Rock. Op de eenvoudige
‘campsite’ boven op het plateau blijken slechts een klein aantal
plaatsen bezet te zijn. Als we bij het ‘visitor center’ in willen
checken wordt ons duidelijk gemaakt dat het een ‘self service site’