USA / Canada 1998 (West/Noordwest)

Arches National Park

1e Dag 22-07-1998 Tilburg - Amsterdam – Las Vegas

Op Schiphol lopen we naar balie 24 om in te checken voor de vlucht naar de USA. Waarschijnlijk omdat we met de Amerikaanse maatschappij United Airlines vliegen zijn de veiligheidsmaatregelen enorm. Niet alleen wordt onze bagage al doorgelicht voor we ingecheckt hebben, ook worden we ondervraagd door een veiligheidsfunctionaris. Als we uiteindelijk zijn in gecheckt halen we bij de PTT de gereserveerde GSM-telefoon op, die geschikt is voor het Amerikaanse net, zodat we de komende 4 weken bereikbaar zijn.

Het is 12.00 uur als we aan boord gaan van een nieuw type Boeiing, namelijk een 777. Op het geplande tijdstip van vertrek (12.30 uur) krijgen we te horen dat we pas een halfuur later zullen vertrekken in verband met een druk ‘vertrekvenster’ richting de Atlantische Oceaan. Veel meer vertraging hopen we niet te krijgen omdat we in Washington DC maar 1½ uur de tijd hebben tot onze aansluitende vlucht naar Las Vegas vertrekt.

Zonder verdere vertraging stijgen we om 13.00 uur op en vertrekken richting de oostkust van de ‘States’. Zo’n 8 uur later zetten we de landing in naar Dulles Airport, het vliegveld van Washington DC, de hoofdstad van Amerika. Tijdens het aanvliegen kijken we uit over een ‘Nederlands landschap’ en zien in de verte het White House. Om 15.15 uur plaatselijke tijd landen we en zijn na 3 jaar eindelijk terug in de ‘States’.

Na de ‘transfer’ op ‘Dulles’ moeten we tot 17.15 uur wachten op de aansluitende vlucht. Precies op tijd vertrekken we voor de 4½ uur durende vlucht naar Las Vegas. Ondanks het feit dat tijdens de daling wordt medegedeeld dat het bewolkt is en licht regent in ‘Vegas’ hebben we een goed uitzicht over Lake Mead en de omringende woestijn. Tijdens de daling heeft Monique door drukverschillen last van een sterke hoofdpijn. Om 19.00 uur plaatselijke tijd landen we en rijden vervolgens met de metro naar het hoofdgebouw van het vliegveld. Terwijl we op onze bagage staan te wachten zorgen de rinkelende gokautomaten langs de bagageband ervoor dat we ongeduldig worden, we willen de Strip op.

Als de bagage compleet is gaan we op zoek naar de bushalte van Alamo, het autoverhuurbedrijf waar we een auto hebben gereserveerd. Enkele minuten later worden we opgepikt en rijden naar het uitleenpunt vlakbij het centrum van ‘Vegas’. Na de gebruikelijke papierwinkel lopen we de parkeerplaats op en gaan op zoek naar onze auto. Het blijkt een witte Hyunday Elantra te zijn. We laden de bagage in en rijden naar Excalibur, het witte kasteel aan de Strip waar we in Nederland al een kamer voor hebben gereserveerd. Terwijl onze auto geparkeerd wordt, checken wij in. Op de kamer pakken we snel de bagage om voor de komende weken. Vervolgens gaan we om 21.00 uur weer naar beneden om nog even in de casino’s en langs de Strip de sfeer te proeven.

Via een airconditioned tunnel lopen we van Excaliber het indrukwekkende interieur van de pyramide van het casino Luxor binnen. In de kern van deze holle kolos op ware grootte ligt een pretpark met prachtige tempels en beelden. Via Excaliber lopen we naar New York New York. Een nieuw casino/hotel in de vorm van de ‘skyline’ van New York, compleet met het vrijheidsbeeld en een gigantische achtbaan. In het interieur van het casino zijn diverse wijken van ‘The Big Apple’ te herkennen. Voor de ingang stappen we vervolgens in een, als ‘cable’ car uitgedoste (te) toeristische, bus om naar de Stratophere Tower te rijden. Als blijkt dat de bus bij elk casino stopt stappen we snel uit en lopen verder langs de strip. Net als 3 jaar geleden genieten we volop van de gekte in ‘Vegas’, alleen voelen we ons deze keer meteen thuis. Van ver zien we de vulkaan voor de The Mirage uitbarsten. We lopen even dit casino in om te kijken naar één van de witte tijgers van Sigfried en Roy. Als we Treasure Island passeren en de piratenschepen weer klaar zien liggen voor één van hun dagelijkse gevechten besluiten we niet op het volgende gevecht te wachten maar terug te lopen naar Excaliber. Omdat we morgen al vroeg willen vertrekken en bovendien al bijna 25 uur op zijn willen we naar bed. Op de terugweg kunnen we het niet laten en lopen we Ceasars Palace in. Onder de prachtig blauwe hemel wandelen we door de oude Romeinse straten. We stoppen onderweg kort bij de fontein met de bewegende beelden en lopen vervolgens terug richting ‘ons’ kasteel. Onderweg verbazen we ons over de in aanbouw zijnde ‘mega’ casino’s. Voor Venetië ligt een kopie van het San Marco Plein en een stuk verder bouwt men aan Paris met daarvoor de Eifeltoren, schaal 1:2!

Als we de ophaalbrug van Excalibur op lopen valt in de gracht rond het hotel een vuurspuwende draak het kasteel aan. Nadat Merlijn, die in een klein hutje aan de slotgracht blijkt te wonen, met zijn toverkunsten de draak heeft weten te verslaan gaan we op zoek naar onze hotelkamer. Onderweg zien we, op grote schermen in het casino, nog net hoe Pantani een touretappe weet te winnen. We doen nog wat inkopen voor morgen en gaan naar de hotelkamer. Het is 24.00 uur als we gaan slapen.

8 Miles

2e Dag 23-07-1998 Las Vegas – Death Valley Nat. Monument – Lee Vining (Mono Lake)

Na een onrustige nacht vertrekken we om 6.30 uur. Terwijl het nog steeds een beetje regent verlaten we via de Strip Las Vegas en rijden de woestijn in. Pas als we de Sierra Nevada naderen houdt het op met regenen. Tijdens de afdaling naar het Death Valley National Monument wordt het weer snel beter en al snel rijden we onder een blauwe hemel naar de bodem van de heetste en de laagst gelegen vallei van de USA.

Voor we het ‘national monument’ inrijden bezoeken we eerst het, aan de rand van het park gelegen, uitzichtspunt Dante’s View. Vanaf 1669 meter hoogte hebben we een goed uitzicht over de uitgestrekte zoutvlakte op de bodem van deze 193 km lange en 6.5 tot 26 km brede slenk tussen het Paramint- en het Funeralgebergte. Door het werken van de aardkorst bewegen deze bergruggen van elkaar weg en is de tussenliggende valei inmiddels tot ver onder het zeeniveau gezakt. De bodem van Death Valley is vlakgesleten door de schurende werking van gletsjers die de vallei in de ijstijd vulden. Door verdamping van het meer, ontstaan uit het smelten van de gletsjers, bleef een witte zoutvlakte achter op de bodem van de vallei.

We beginnen aan de afdaling naar de bodem van de ‘valley’. Onderweg stoppen we bij Zabriskie Point. Als we uit onze auto stappen om naar het ‘viewpoint’ te ‘hiken’ voelen we voor het eerst de hitte waar dit gebied om bekend staat. Het uitzicht over de kleurrijke versteende duinen met de witte zoutvlakte en de bergen op de achtergrond is prachtig. Desondanks zitten we door de hitte weer snel in onze airconditioned Hyunday en vervolgen al drinkend onze route naar beneden. Na een korte stop bij de Furnace Kreek Ranch bezoeken we het ‘visitor center’ en kopen voor 50 US$ een Golden Eagle Pass. Via de Artist Drive en het Artist Palette, beide bekend om de kleurrijke rotsformaties, rijden we naar Badwater. Dit punt ligt 84 meter onder de zeespiegel. Hierdoor is waarschijnlijk juist deze plek, het laagste punt van de USA, de enige plaats in de vallei waar zich ondanks de hitte nog wat water kan verzamelen. De plek dankt zijn naam dan ook aan de kleine poel met zout en dus ‘slecht’ water. Ondanks de hitte lopen we even naar de zoutvlakte, die een paar honderd meter verder begint, om het zout te proeven. De zoutkorst blijkt ruw en veel minder wit dan hij van ver lijkt. Na een paar minuten houden we het voor gezien op de zoutkorst en ‘hiken’ terug naar Badwater. Op de terugweg zien we dat er boven de parkeerplaats een bord tegen de bergwand is geplaatst waarop het zeeniveau is aangegeven.

Op weg naar de noordwestelijke uitgang van het park stoppen we kort bij de Mushroom Rock. Vervolgens passeren we opnieuw de Furnace Kreek Ranch en het ‘visitor center’ en verlaten het ‘national monument’ bij de zandduinen bij Stovepipe Wells. Nadat we net buiten het park getankt hebben in Paramint Springs rijden we parallel aan de Sierra Nevada naar het noorden. Langs de route staan op de hoger gelegen berghellingen honderden Joshua Trees, terwijl we in de dalen opnieuw diverse zoutvlakten zien liggen. Hoewel zich boven de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada donkere wolken samen pakken valt er niet veel regen. Het is 17.15 uur als we Lee Vining binnen rijden. We besluiten niet volgens onze planning verder te rijden naar het 25 miles verder gelegen Bridgeport, maar in dit dorpje te overnachten. Lee Vining ligt namelijk aan het mooie Mono Lake dat we nog kennen van 3 jaar geleden. Terwijl Bridgeport ‘in the middle of nowhere’ ligt, kunnen we hier vanavond en eventueel morgenvroeg nog even bij het ‘lake’ gaan kijken. Na wat zoeken vinden we een klein eenvoudig hotel, El Mono. Hoewel het het goedkoopste hotel van het dorp is schrikken we van de prijs, namelijk 65.40 US$. We denken (hopen) dat de hoge prijs veroorzaakt wordt door de ligging van Lee Vining aan de oever van het Mono Lake, aan de voet van de Sierra Nevada en aan het begin van de Tioga Pas, dé route naar het Yosemite National Park.

Nadat we ons snel opgefrist hebben lopen we het dorp in om een hapje te eten. Een uur later is het weer behoorlijk opgeklaard. Daarom besluiten we naar het Mono Lake Tufa State Reserve te rijden, om bij het meer naar de zonsondergang te kijken. We parkeren de auto op de parkeerplaats van de South Tufa Area en ‘hiken’ naar de oever van het ‘lake’. Het water blijkt een flink stuk hoger te staan dan drie jaar geleden. Dit is het gevolg van de beslissing van de overheid om geen water meer uit het meer te gebruiken voor de drinkwatervoorziening van San Fransisco. De reden hiervan is dat door de dalende waterspiegel steeds meer van de unieke ‘groeiende’ rotsen, waar het Mono Lake om bekend staat, droog kwamen te staan. Het ‘groeien’ van deze rotsen, door de wisselwerking van (zure) regen en het kalkhoudende water uit het meer, kwam hierdoor stil te liggen. Men hoopt met deze maatregelen het unieke natuurverschijnsel in dit meer te redden. Het uitzicht over het meer blijft mooi. Hoewel de zonsondergang niet bijzonder is genieten we van de rust en de rotsen aan de oever van het unieke Mono Lake.

Terwijl het al donker begint te worden rijden we terug naar Lee Vining. Terug in het hotel drinken we nog wat in het restaurantje van El Mono. Op de hotelkamer kijken we TV, lezen nog even en gaan vervolgens vroeg slapen.

480 Miles

3e Dag 24-07-1998 Lee Vining (Mono Lake) - Eureka

Het is al licht als we om 6.00 uur terugrijden naar het Mono Lake om nog wat plaatjes schieten bij zonsopkomst. Driekwartier later vertrekken we bij het meer en beginnen aan de lange rit die we voor vandaag gepland hebben.

Gedurende 150 miles rijden we via diverse passen tussen de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada door, richting de westkust. Net na Markleeville stoppen we om te tanken. De eigenaresse van het tankstation verteld ons ze de afgelopen nacht bezoek heeft gehad van een beer. Het beest blijkt de afgelopen nacht haar vriezer te hebben geplunderd. Na een cola en wat ‘muffins’ rijden we weer verder. Terwijl de temperatuur hoog en de lucht blauw is, verlaten we het hooggebergte en vervolgen onze route door een heuvelachtig en bebost landschap. De wolkenkrabbers van Sacramento zien we al van ver liggen. Net na deze grote stad nemen we een afslag die ons naar de kust en de Pacific Ocean moet brengen. Al snel wordt duidelijk dat de bochtige en heuvelachtige route veel meer tijd in beslag zal nemen dan gepland. In Trinity tanken we opnieuw. Als we eindelijk de heuvels achter ons laten rijden we door bossen met gigantische Redwoods verder richting Eureka. Inmiddels wordt de invloed van de Pacific merkbaar. Het koude water van de oceaan veroorzaakt langs deze kust namelijk regelmatig mist en zware bewolking. Helaas hangt er ook vandaag een zware bewolking. Net na het Grizly Creek Redwood State Park bereiken we de kust en rijden langs de oceaan naar Eureka. Het is 17.15 uur als we inchecken in Motel 6 ($ 50.13). Door de extra kilometers naar Bridgeport en het laatste langzame deel van de route heeft de rit vandaag eigenlijk te lang geduurd.

Nadat we ons opgefrist hebben rijden we naar het centrum van Eureka om de oude kern van het stadje te bekijken. Het blijkt vergane glorie en dus zijn we snel uitgekeken. Vervolgens rijden we over drie lange bruggen naar de kustlijn om, ondanks het slechte weer, even naar de oceaan te kijken. Terug in Eureka stoppen we bij de Pizza Hut om onze ‘riessen hunger’ te stillen. Uiteraard eten we van de ‘saladbar’ en bestellen weer te veel pizza. Het restant krijgen we mee in een ‘box’.

Terug in het hotel kruipen we vroeg in bed (20.30 uur). Terwijl ik met moeite wakker blijf om iets van de Tour de France te zien valt Monique vrijwel meteen in slaap. Na de reportage over de Tour zet ik de TV af en ga ook slapen.

541 Miles

4e Dag 25-07-1998 Eureka – Redwood National Park - Crater Lake National Park

Ook vandaag vertrekken we weer om 6.00 uur. Het eerste doel van vandaag is het vlakbij Eureka gelegen Redwood National Park. Door dichte mist rijden we langs de kust naar de ingang van het park. In de hoop dat de mist nog wat optrekt besluiten we hier op het strand te ontbijten. Als we een ‘Afrikaans’ ontbijt (cornflakes met melk) klaar willen maken blijkt onze melk inmiddels zuur te zijn. Als alternatief ontbijt pakken we een puntje pizza van gisterenavond. Na het ‘breakfast’ rijden we het park in.

Bij het passeren van de Redwood Creek loopt een grote kudde roosevelt-wapitis (herten) door de bedding van de kreek. Voor de rit naar de Tall Tree Groove blijkt een vergunning nodig te zijn, die bovendien maar voor 25 auto’s per dag afgegeven wordt. Maar we zijn vroeg, dus wie weet. Op het Prairie Creek Visitor Center krijgen we te horen dat de we voor de rit en de wandeling zo’n 3½ uur moeten rekenen. Dit zit er gezien onze planning niet in en omdat bovendien de vergunningen pas vanaf 9 uur verstrekt worden besluiten we als alternatief over het 1.5 mile lange trail door de Lady Bird Johnson Groove te ‘hiken’. Hoewel in ’95 de Giant Sequoias in Yosemite een grotere indruk op ons gemaakt hebben blijft het wandelen tussen de gigantische ‘redwoods’ een bijzondere ervaring. Door het feit dat de Coast Sequoias hoger zijn, in grotere aantallen voorkomen dan hun grotere broer (de Giant Sequoia) en bovendien omgeven zijn door regenwoud maakt de ‘groves’ in het Redwood National Park toch bijzonder. Als we via de Newton B. Drury Scenic Parkway onze weg in noordelijke richting vervolgen schijnt de zon inmiddels volop. We zijn dan ook verbaast als we de Coastal Drive op rijden en weer in dichte mist terechtkomen. De koude oceaan veroorzaakt blijkbaar nu ook voldoende mist om de kustlijn aan het oog te onttrekken. Omdat we slechts met moeite hier en daar een glimp van de branding opvangen en we verder niet veel van de omgeving zien besluiten we om te draaien. Vlak voor de hoofdweg van het park, slechts enkele honderden meters landinwaarts, verlaten we de mistbank en rijden plotseling weer onder een blauwe hemel. De hoofdweg verlaat plaatselijk het park omdat Klamath, een dorpje compleet met casino, op de route ligt. De mensen van dit dorp woonden tot 1978 net buiten de drie North Coast State Parks (Prairie Creek, Del Norte en Jedediah Smith). In 1978 werden deze parken samengevoegd tot het Redwood National Park. Hoewel de grens van het park om hun dorp heenloopt zijn ze aangewezen op de parkwegen om hun dorp te kunnen bereiken. Een paar kilometer verder pikken we de Coastal Drive weer op. Langs de route staat een gecamoufleerde radarpost uit de 2e wereldoorlog. Hoewel ook hier een dichte mist hangt zien we nu wat meer van de oceaan. Terug op de hoofdweg rijden we via de indrukwekkende Avenue of the Giants (Redwood Highway) naar, het ten noorden van het park gelegen, Cresent City. Nadat we getankt hebben rijden we via het noordelijke deel van het park landinwaarts naar het einddoel van vandaag, het Crater Lake National Park.

We verlaten California en rijden door eindeloze bossen via lange kaarsrechte wegen naar het, in het zuiden van de staat Oregon gelegen, Crater Lake National Park. Op de plaats van het Crater Lake verhief zich nog maar enkele duizenden jaren geleden de top van Mount Mazama. Deze vulkaan is één van de 12 onberekenbare stratovulkanen die deel uitmaken van de meer dan 1000 kilometer lange Cascade Ranges. Zo’n 7000 jaar geleden kwam de 3600 meter hoge vulkaan tot uitbarsting. Door de snelle lediging van de magmahaard verloor de vulkaan echter zijn stabiliteit. De top stortte in de vrijgekomen ruimte onder de vulkaan. De ontstane ‘caldera’ (Spaans: ketel) vulde zich met regenwater. Zo ontstond het huidige meer dat een diameter heeft van 9 kilometer en met een diepte van 589 meter het diepste ‘lake’ van de USA is.

Als we de top van de vulkaan naderen pakken donkere wolken zich samen boven Mount Mazama. Omdat we bang zijn dat de top, en dus het Crater Lake, straks in de wolken zal verdwijnen stellen we het reserveren van een ‘campsite’ uit en rijden meteen door naar de ‘rim’ van de ‘caldera’. Het uitzicht over Crater Lake is adembenemend. De laatste restjes zonlicht geven ons een indruk hoe blauw het water moet zijn op een zonnige dag. Tijdens de 33 miles lange ‘rimdrive’ hebben we vanaf diverse ‘viewpoints’ een goed uitzicht over het schitterende meer en de twee eilanden, het Phantom Ship en het Wizard Island. Vanaf de top van de vulkaan hebben we ook een goed uitzicht over de omgeving van de vulkaan met de uitgestrekte bossen waar we vandaag doorheen gereden zijn. Omdat het tegen het eind van de rondrit begint te gieten wordt het tijd een ‘campsite’ te gaan zoeken.

Op de Mazama Campsite (15 US$), een camping vlakbij de zuidelijke ingang van het park die van alle gemakken is voorzien, zetten we de tent op. In de kampwinkel doen we wat inkopen voor de komende dagen, waaronder wat hout om vanavond een kampvuur te maken. Vervolgens rijden we terug naar ‘boven’ om wat te eten in de Watchman, een restaurantje met uitzicht op het ‘lake’. Na een eenvoudig maar lekker ‘buffet diner’ nemen we nog even een kijkje op de rim en maken een praatje met een (te) dikke Amerikaan. Terug op de ‘campsite’ maken we een kampvuur en drinken een pilsje terwijl we genieten van het ultieme ‘Afrika-gevoel’ op de top van een bijna 1900 meter hoge Amerikaanse vulkaan. Om 22.00 uur doven we het kampvuur en kruipen diep in onze slaapzak, het is koud!

361 Miles

5e Dag 26-07-1998 Crater Lake NP – Mount St. Helens National Volcanic Monument

Om 5.20 uur loopt de wekker af. We kunnen het niet laten. Als de tent (nat) is ingepakt, rijden we nog even terug naar het meer. Terwijl we vanaf het terras bij de Crater Lake Lodge opnieuw genieten van het schitterende uitzicht over de krater komt de zon boven de kraterrand op en zet het meer prachtig in het licht.

We rijden terug naar de campground om te tanken. Als blijkt dat het tankstation pas om 7.00 uur opent eten we een bordje cornflakes om de tijd te doden. In de kampwinkel vernemen we dat de snelste route naar het Mount St. Helens National Volcanic Monument via de noordelijke uitgang van het park loopt. Dus rijden we met een volle tank voor de laatste keer naar de top van Mount Mazama. We verlaten de staat Oregon net na Portland en vervolgen onze route naar het noorden door de staat Washington. Na een vlotte rit arriveren we om 14.00 uur op de Kid Valley Campground (13.20 US$) vlakbij het park. Omdat we dichterbij de vulkaan overnachten dan gepland en er vroeger zijn dan verwacht kunnen we vandaag nog de westkant van het park verkennen. We reserveren een ‘site’ op de ‘campground’ en rijden het park in.

Na meer dan 123 jaar komt Mount St. Helens, de jongste en actiefste vulkaan uit de Cascade Ranges, na een aardbeving op 20 maart 1980 weer tot leven. Het blijft niet bij deze ene beving met een kracht van 4.1 op de schaal van Richter. Gedurende de 2 volgende maanden volgen namelijk nog ongeveer 10.000 aardbevingen. Wetenschappers nemen in deze periode de groei van een bult waar tegen de noordflank van Mount St. Helens. Op zondag 18 Mei 1980 veroorzaakt een aardbeving (5.1 op de schaal van Richter) het instorten van de bolstaande noordflank. Een enorme aardverschuiving is het gevolg. Een deel hiervan dendert in het Spirit Lake. Hierdoor wordt het meer als het ware opgetild en komt een stuk hoger tegen de bergwand tot stilstand. De vloedgolf die hierbij ontstaat ontwortelt 10.000den bomen die vervolgens in het meer belanden. Het andere deel van de aardverschuiving stort zich 15 miles omlaag door het stroomgebied van de Toutle River. De alles verwoestende lawine bedekt bruggen, wegen en huizen onder een 50 meter dikke laag puin. De aardverschuiving maakt de weg vrij voor een zijwaartse drukgolf van, in het inwendige van Mount St. Helens opgebouwde, hete gassen. Deze explosie, die 700 miles verder gehoord wordt, maakt in een gebied van bijna 230 miles2 alles met de grond gelijk. De bomen zijn in dit gebied afgeknapt alsof het luciferhoutjes zijn en liggen door de drukgolf van de vulkaan afgericht. Hoewel ze aan de rand van dit gebied niet meer ontworteld worden, is het gas in de drukgolf nog zo heet dat het de bomen dood. Inmiddels is uit de vulkaan een verticale askolom opgestegen met een hoogte van 17 miles. De zon wordt hierdoor verduisterd en de dag wordt nacht in oostelijk Washington. Door het gasrijk magma dat de vulkaan, zo’n 4 uur na het begin van dit natuurgeweld, uit de krater stoot vormt zich een zogenaamde pyroclastische wolk die zich langs de noordwand van de vulkaan een weg naar beneden baant. Ondertussen begint het in de aardverschuiving meegesleurde ijs en sneeuw te smelten en vormen samen met het as, de stenen en boomstammen een alles vernietigende hete dampende modderstroom, die zich langzaam maar zeker een weg baant naar de Columbia River. Na de hierboven beschreven eerste uren van de uitbarsting van Mount St. Helens hebben nog 19 kleinere erupties plaatsgevonden. Hierdoor begon zich langzaam maar zeker een nieuwe lavakoepel te vormen, waarvan de groei tot op de dag van vandaag doorgaat.

Plotseling houden de naaldbossen, langs de route naar Mount St. Helens, op te bestaan. We hebben de ‘blast edge’ van de eruptie uit 1980 bereikt. Verbaast en onder de indruk kijken we uit over een verwoest en kaal berglandschap met in de verte Mount St. Helens. Hoewel de vulkaan nog ruim 25 miles van ons verwijdert is kunnen we vanaf hier het enorme gapende gat in de noordwand van de vulkaan zien. Langs de route naar het Coldwater Ridge Visitor Center zien we zover we kunnen kijken afgebroken, ontwortelde en van de vulkaan afgerichte naaldbomen liggen. Vanaf het terras van het ‘visitor center’ hebben we een prachtig uitzicht over het Coldwater Lake en Mount St. Helens. Af en toe stijgt er een rookpluim op uit de krater. Een ranger verteld ons dat het geen rook is maar dat het stofwolken zijn, die veroorzaakt worden door wind of door rotsen die losraken door het smelten van de sneeuw op de top van de vulkaan en vervolgens in de kratermond vallen. Vervolgens rijden we verder de ‘blast zone’ in, naar het 1 jaar oude Johnston Ridge Observatory, waar men de vulkaan voortdurend in de gaten houdt. Dit observatorium is genoemd naar Dr. David A. Johnston, een vulkanoloog die in de dagen voor 18 mei 1980 onderzoek deed in de omgeving van de vulkaan. Hij meldde de wereld, vanuit wat later de ‘blast zone’ bleek te zijn, dat de eruptie van Mount St. Helens begonnen was, met de woorden: "Vancouver, Vancouver, this is it!". Enkele ogenblikken later kwam hij om het leven. Het uitzicht vanuit het observatorium op de vulkaan is adembenemend. Na een film over de eruptie en de dagen die daarop volgden verlaten we het ‘observatory’ en rijden terug naar het ‘visitor center’ om een hapje te eten. Onderweg kruipt in de verte de besneeuwde top van Mount Rainier, ons volgende reisdoel, achter de wolken. Na een (te) dure hamburger rijden we terug naar de campground.

Terwijl de tent droogt schrijven we wat kaarten. Als de tent staat werken we het reisverslag bij, lezen wat en gaan vervolgens vroeg slapen (22.00 uur).

425 Miles

6e Dag 27-07-1998 Mount St. Helens Nat. Volc. Monument – Mount Rainier Nat. Park

In dichte mist vertrekken we om 6.15 uur naar de oostkant van het Mount St. Helens National Volcanic Monument. Omdat de vulkaan grote indruk op ons gemaakt heeft en de oostelijke ingang bovendien op de route ligt naar het Mount Rainier National Park hebben we besloten ook dit deel van het park te bezoeken. Na een rit van anderhalfuur door de bergen rijden we onder een inmiddels strak blauwe hemel opnieuw het ‘national volcanic monument’ in.

De route voert ons als het ware de ‘blast zone’ in. We zien een prachtig bos veranderen in een ziek aangetast bos. Als we het ‘viewpoint’ naderen waar de beroemde foto’s gemaakt zijn van de aardverschuiving op zondag 18 Mei 1980 bereiken we de ‘blast edge’. De dode bomen staan in dit deel van het rampgebied nog overeind en geven het uitzicht op Mount St. Helens iets spookachtigs. Via een aantal viewpoints rijden we langs de flanken van de vulkaan omhoog en bereiken vervolgens het gebied waar de drukgolf alle bomen heeft weggevaagd. Het ‘viewpoint’ bij Spirit Lake is de volgende stop. Tot onze grote verbazing is 20 jaar na dato een groot deel van het meer nog steeds bedekt door de 10.000den ontwortelde bomen die door de vloedgolf in het meer zijn geworpen. Mede hierdoor is het uitzicht over het meer bijzonder mooi. Een paar miles verder bereiken we het eindpunt van de weg en parkeren de auto op de parkeerplaats bij het Windy Ridge Viewpoint. Op een afstand van slechts 4 miles van de krater van de actieve vulkaan genieten we opnieuw van het uitzicht. Door de kleine afstand tot de krater zien we nu ook de nieuwe lava koepel goed liggen. Na een bordje cornflakes ‘hiken’ we naar een wat hoger gelegen ‘viewpoint’. Vanaf hier hebben we ook een goed uitzicht op het woeste landschap waar de aardverschuiving het Spirit Lake verdrongen heeft en over dit met bomen bedekte meer met op de achtergrond de besneeuwde top van Mount Rainier. Als we terug ‘hiken’ naar de auto verschijnen er net als gisteren stofwolken rond de top van de vulkaan. Onder de indruk verlaten we het Mount St. Helens National Volcanic Monument en beginnen aan de rit naar het Mount Rainier National Park terwijl we denken aan de laatste woorden van Dr. David A. Johnston: "Vancouver, Vancouver, this is it!".

Omdat de GSM (nog) niet werkt en we de handleiding van de telefoon kwijt zijn besluiten we zelf naar Nederland te bellen. Bij een tankstation in Randle proberen we tevergeefs met onze (Special Trafic) telefoonkaart te bellen. Als bovendien blijkt dat we met onze ‘buitenlandse’ creditcard niet via een operator kunnen bellen wordt het ons duidelijk dat het nu niet zal lukken een berichtje naar Nederland te krijgen. Met een volle tank vervolgen we onze route naar de hoogste stratovulkaan van de Cascade Ranges, Mount Rainier (4394 meter).

Ruim een uur later rijden we via de Stevens Canyon Entrance het zuidelijk deel van het Mount Rainier National Park in. Onderweg stoppen we kort bij de Box Canyon om een blik te werpen in de diepe kloof. We vervolgen onze route door het bosrijke bergachtige landschap met mooie vergezichten. Mount Rainier heeft zich echter nog niet laten zien. Pas nadat we Stevens Ridge gepasseerd, zijn zien we de vulkaan voor het eerst liggen. De derde stratovulkaan die we deze vakantie bezoeken is compleet anders dan het Crater Lake in de krater van de ingestorte Mount Mazama en het verwoeste landschap rond de gapende krater in noordwand van Mount St. Helens. Door de met sneeuw en gletsjers bedekte flanken van Mount Rainier en de prachtige omgeving lijkt deze ‘mount’ meer op een gewone berg dan op een gevaarlijke stratovulkaan. Maar schijn bedriegt. Deze vulkaan, die in 1792 door de Engelse scheepskapitein George Washington naar zijn vriend Peter Rainier werd genoemd, blijkt zelfs nog actief te zijn. Bij het Henry M. Jackson Memorial Visitor Center, gelegen aan de voet van de vulkaan in de Paradise Valley, parkeren we de auto. We kiezen de Skyline Hike uit om nog wat dichter bij de vulkaan te komen en een vrij uitzicht te hebben op de gletsjers aan de voet van Mount Rainier. We ‘hiken’ in een uur door bloeiende alpenweiden en sneeuwvelden naar het op ruim 2 kilometer hoogte gelegen Glacier Vista. Vanaf dit ‘viewpoint’ kijken we uit over de gletsjers tegen de flanken van de vulkaan. Ondanks de hitte en de vermoeidheid hiken we in een halfuur terug naar het ‘visitor center’. Na een ‘coke’ en een ‘muffin’ proberen we hier nog een keer tevergeefs onze telefoonkaart te activeren.

Nadat we op de, wat verder naar het westen gelegen, Cougar Rock Campground (16.38 US$) de tent hebben opgezet rijden we naar het Longmire Visitor Center en eten hier onze eerste ‘steak’ deze vakantie. Ook hier lukt het niet de problemen met de telefoonkaart op te lossen. Terug op de camping rommelen we wat tot het tegen zonsondergang loopt. Omdat we de vulkaan bij zonsondergang en ‘wildlife’ willen zien rijden we terug naar de Paradise Valley. Onderweg naar het ‘visitor center’ in de vallei zien we 2 ‘elk’. In het ‘visitor center’ bellen we opnieuw met de telefoonmaatschappij. Ditmaal is het raak, men belooft het probleem binnen 5 minuten te verhelpen. Op de terugweg installeren we ons op een ‘viewpoint’ voor de zonsondergang. De wolken en de vulkaan kleuren weliswaar wat, maar het resultaat is niet ‘bie’. Terug op de camping blijkt de telefoonkaart inmiddels geactiveerd te zijn. Terwijl het nog steeds heet is ruimen we de tent in, werken de administratie bij en lezen nog wat voor we om 22.00 uur gaan slapen aan de voet van Mount Rainier.

244 Miles

7e Dag 28-07-1998 Mount Rainier National Park – Seattle - Vancouver

Terwijl de meeste toeristen nog slapen vertrekken wij om 6.25 uur naar het oostelijke deel van het park. Via de White River Entrance rijden we naar het Sunrise Visitor Center. Vanaf het ‘viewpoint’ bij het ‘visitor center’ hebben we weliswaar een mooi uitzicht op Mount Rainier, maar het is toch wat minder indrukwekkend dan gisteren. Waarschijnlijk is dit de reden dat dit deel van het park wat minder toeristisch is. Vanuit een telefooncel op de parkeerplaats bellen we even naar Nederland. Omdat het uitzicht op de vulkaan niet echt zal veranderen als we zouden gaan ‘hiken’ besluiten we het park te verlaten en naar Seattle, ‘the city of grunge’, te rijden.

Bij het binnenrijden van Seattle (12.00 uur) komen we er achter dat we geen informatie over deze stad hebben meegenomen. Eigenlijk kennen we alleen de 175 meter hoge Space Needle, die ter gelegenheid van de wereld-tentoonsteling van 1962 werd gebouwd. Van ver zien we de Space Needle staan en met wat geluk rijden we recht naar dit markante herkenningspunt toe. Hier moeten we ongetwijfeld ook wat informatie over de stad kunnen inwinnen. Het pretpark aan de voet van het gebouw laten we links liggen. Met tickets voor een bezoek aan het ‘observation deck’ op zak stappen we in een lift die ons in enkele seconden naar de top van de toren brengt. Vanaf het ‘deck’ hebben we een goed uitzicht over de stad met de wolkenkrabbers in het centrum, het ‘baseball’-stadion, de haven en de zeearm Puget Sound. Helaas is het te heiig om de vulkanen van de Cascade Ranges te zien die we afgelopen dagen bezocht hebben. Ondanks het uitzicht ben ik (Paul) toch opgelucht als we op de begane grond uit de lift stappen. In het winkeltje van de ‘needle’ halen we een gratis plattegrond van de stad.

Terwijl we in het pretpark een ‘coke’ drinken, bekijken we op de plattegrond wat er verder nog te zien is in Seattle. Alleen de oude stadswijk rond Pioneer Square lijkt ons nog de moeite waard. Vlakbij de haven parkeren we de auto in een parkeergarage en laten, hoewel in de USA gebruikelijk, met tegenzin de sleutels in het contactslot van de auto zitten. We lopen via het oude Kings St. Station en de Smith Tower naar het Pioneer Square. Onderweg kopen we een CD-tje voor Tom. De oude (pak)huizen geven de wijk de uitstraling van een oude Amerikaanse stad. Nadat we kort de sfeer op het ‘square’ geproefd hebben houden we ‘oud’ Seattle voor gezien. We ‘hiken’ terug naar de haven waar het lelijke dubbele Alaskan Way Viaduct langs de kade loopt. Als blijkt dat de pieren met restaurantjes en winkeltjes een slap aftreksel van Pier 39 in San Fransisco zijn hebben we genoeg gezien van Seattle. Omdat we geen zin hebben om in deze dure stad te overnachten besluiten we vandaag nog door te rijden naar Vancouver in Canada. Met een volle tank verlaten we om 16.00 uur Seattle en vervolgen onze route naar het noorden.

Zo’n twee uren later arriveren we bij de grens tussen de ‘States’ en Canada. Nadat we bij het ‘immigration office’ een stempel hebben gehaald rijden we British Colombia in. Bij een ‘visitor center’ net over de grens stoppen we even om wat informatie in te winnen voor de komende dagen. Met een flink pak folders en een adres van een camping voor de komende nacht op zak rijden we vervolgens verder naar Vancouver. Onderweg moeten we even wennen aan het feit dat er op de verkeersborden weer kilometers vermeld staan. Het (luxe) BCRV Park (22.47 Can$) blijkt in tegenstelling tot de ‘campgrounds’ van de afgelopen nachten niet in de bossen te liggen. De RV’s staan naar Europees model keurig op een rijtje en de ‘tent-sites’ vormen een cirkel rond een prieeltje. Deze ‘campground’ is eigenlijk niets voor ons. Omdat het echter al laat is hebben we geen zin om een andere camping te zoeken. In de wetenschap dat het bovendien maar voor één nacht zal zijn, zijn we toch blij als we één van de laatste ‘sites’ weten te bemachtigen.

In het prieeltje maken we een plan voor de komende dagen. Morgen plannen we een bezoek aan ‘downtown’ Vancouver en de dag(en) daarna willen we ‘whale watchen’ vanaf Vancouver Island. Terwijl ik (Paul) de tent opzet schrijft Monique een fax en verzendt deze vanuit de kampwinkel naar Nederland. Bij een Subway restaurant vlakbij de camping eten we een broodje ‘long foot’ met chips en cola. Terug op de camping (21.30 uur) maken we een praatje met een Nederlander die enthousiast verteld over zijn reis door de USA en Canada van de afgelopen 4 weken. In het prieeltje schrijft Paul nog wat ansichtkaarten en werk ik (Monique) het reisverslag bij. Op het moment dat we willen gaan slapen komt een Belgisch stel naast ons zitten. We raken aan de praat, uiteraard over de route tot nu toe en de plannen voor de komende weken. De Canadese Rockies hebben de meeste indruk gemaakt op onze zuiderburen. Als we ze vertellen dat we daar over een paar dagen ook heen gaan, bieden ze ons spontaan hun Canadese ‘national park pas’ aan, ter waarde van 50 Can$. Tegen middernacht nemen we afscheid en gaan slapen.

312 Miles

8e Dag 29-07-1998 Vancouver – Tofino (Vancouver Island)

We slapen lekker uit en vertrekken om 8.45 uur richting ‘downtown’ Vancouver. Ons eerste doel is de Capilano Suspension Bridge gelegen in het noorden van de stad. Na een kort oponthoud in de file arriveren we bij het Capilano River Regional Park. Het duurt niet lang voor we genoeg hebben van het commerciële pretparkje op de ‘rim’ van de kloof, uitgesleten door de Capilano River. Daarom gaan we op zoek naar de hangbrug die op een hoogte van 70 meter de ‘canyon’, over een lengte van 137 meter, overspant. In tegenstelling tot Monique sta ik (Paul) ‘doodsangsten’ uit op de slingerende brug. Nieuwsgieriger dan bang, loop ik zonder naar beneden te kijken in één keer naar de overkant. Helaas is van het regenwoud aan deze kant van de brug ook een (te) commercieel pretpark gemaakt. Het uitzicht over de kloof, de Capilano River en de ‘suspension bridge’ is echter wel de moeite waard. We steken opnieuw de brug over en verlaten het (pret)park.

Een paar kilometer naar het noorden ligt ‘The peak of Vancouver’, Grouse Mountain. Het uitzicht vanaf deze berg, over het Capilano Lake, ‘downtown’ Vancouver en Stanley Park gelegen aan de Strait of Georgia, moet volgens onze reisgids bijzonder zijn. Daarom gaan we met de Grouse Mountain Skyride naar het Theatre In The Sky, het eindstation van deze kabelbaan op de top van de 1100 meter hoge Grouse Mountain. Helaas is het bijzonder heiig en dus valt het uitzicht wat tegen. ‘Hiken’ heeft om dezelfde reden weinig zin en omdat we bovendien ook geen zin hebben in het pretpark op de top van deze berg, gaan we na een mok cornflakes weer met de ‘Skyride’ naar beneden.

Vervolgens is het Stanley Park aan de beurt. Via de mooie Lions Gate Bridge steken we de Burrard Inlet over en rijden het beroemde park in. Tegen de richting van de klok in rijden we over de kustweg door het park. Het prachtige regenwoud langs de route wordt afgewisseld door standen, sportvelden, picknickplaatsen en niet te vergeten de snelweg Stanley Park Causeway. De wegwijzers in het park verwijzen verder nog naar een dierentuin, het Vancouver Aquarium, een golfbaan en een pretparkje. Na de Capilano Suspension Bridge en Grouse Mountain zijn we tijdens de rit door dit stadspark er inmiddels van overtuigd geraakt dat de Canadezen overal een pretpark van willen maken. We parkeren de auto vlakbij de Coal Harbour en ‘hiken’ naar een aantal totempalen, die van de gehele westkust van Canada hier in Stanley Park verzameld zijn. Vanaf het nabij gelegen Hallelujah Point hebben we een goed uitzicht over de ‘skyline’ van Vancouver, met onder andere het op zeilboten geïnspireerde, Canada Place. Dit gebouw diende als blikvanger voor de expo van 1986. Via de Brockton Oval, een atletiekbaan, wandelen we terug naar de auto.

In ‘downtown’ Vancouver parkeren we de auto in een parkeergarage en wandelen Gastown in. Deze oude gerestaureerde en zeer toeristische stadswijk dankt zijn naam aan ‘saloon’-eigenaar John Deighton. Deze praatgrage man werd dankzij zijn bijnaam, ‘Gassy Jack’, onsterfelijk als naamgever van de wijk Gastown. Bij een straatverkoper kopen we een hotdog en wandelen vervolgens door de drukke toeristische winkelstraat. Onderweg naar het vlakbij gelegen Chinatown merken we dat Gastown minder toeristisch wordt. Plotseling lopen we tussen de drugsdealers. Hierdoor hangt er een dreigende sfeer in dit deel van de wijk. We zijn dan ook blij als we Chinatown bereikt hebben. Al snel wordt duidelijk dat Chinatown in Vancouver de uitstraling mist van de gelijknamige wijk in San Fransisco. De Dr. Sun Yat-Sen Classical Chinese Garden, die ook ter gelegenheid van de Expo van 1986 aangelegd werd, blijkt vergane glorie. Daarom ‘hiken’ we langs de dealers terug naar Gastown. Op weg naar de auto passeren we het symbool van Gastown, de eerste Steam Clock ter wereld, op het moment dat deze met een stoomwolk uit een stoomfluit aangeeft dat het 15.00 uur is.

We trekken de conclusie dat de meeste Amerikaanse/Canadese steden ons niet kunnen bekoren en besluiten daarom vanmiddag nog te vertrekken naar Vancouver Island. Als we bij de Horse Shoe Bay arriveren blijkt de pont van 15.30 uur helaas net vertrokken. Er zit niets anders op dan wachten op de volgende ferry. Om 17.00 uur vetrekken we naar het grootste eiland voor de kust van de Amerika’s. De kust die we tijdens de 1½ uur durende overtocht aan ons voorbij zien trekken doet ons sterk denken aan de Noorse fjorden. Om 18.40 uur verlaten we de ferry en rijden meteen naar het noorden met Tofino als eindbestemming. Terwijl we tanken in Parksville (19.15 uur) wordt ons verteld dat Tofino inderdaad de beste plaats is voor het ‘whale watchen’. Hoewel de rit naar dit kleine plaatsje aan de westkust van het eiland nog zo’n 3 uur zal duren besluiten we er toch vandaag nog heen te rijden. We moeten namelijk morgenvroeg in Tofino zijn omdat we niets gereserveerd hebben. Helaas rijden we op het eiland, dat ons opnieuw aan Noorwegen en zijn fjorden doet denken, het slechte weer tegemoet. Mede hierdoor wordt het sneller donker en is het lastig rijden naar de westkust van Vancouver Island. De geplande camping aan het strand is helaas vol. Na wat zoeken arriveren we om 22.15 uur op de (surf)campground Pacific Rim en worden stevig afgezet als blijkt dat een ‘site’ 39 can$/nacht kost. De eigenaar kan vragen wat hij wil, het heeft namelijk geen zin nu nog te gaan zoeken naar een goedkopere campground. In het donker zetten we de tent op en eten vervolgens wat brood en yoghurt uit de (te) dure kampwinkel. Nadat we per telefoon het ‘whale watching’ voor morgen hebben gereserveerd gaan we snel slapen.

188 Miles

9e Dag 30-07-1998 Tofino – ‘Whale Watching’ – Pacific Rim National Park - Nanaimo

Als we na een regenachtige nacht om 7.00 uur opstaan, is het eiland helaas nog steeds in mist en wolken gehuld. We rijden naar Tofino en ontbijten vervolgens in een restaurantje vlakbij de haven. Om 8.30 uur melden we ons bij de balie van Seaside Adventures, voor het ‘whale watching’ op de Pacific Ocean. We hijsen ons in een dik ‘thermo’-pak en steken, voor als het onderweg echt koud wordt, handschoenen en een muts in de zakken. Even later stappen we met nog 6 anderen in een speedboot en beginnen aan de tocht van 35 minuten naar één van de gebieden in de ‘Pacific’ waar de walvissen zich in deze tijd van het jaar ophouden.

Na de eerste stop, bij een eilandje met een nest jongen van een zeearend, komen we onderweg 3 papagaai duikers tegen. Als we deze prachtige vogels te dicht naderen doen ze hun naam eer aan en duiken onder om een heel eind verder weer op te duiken. Op een aantal van de eilanden die we passeren, nu nog bewoond door een klein aantal indianen, vilden vroeger de voorouders van deze ‘natives’ de door hun gevangen walvissen. Als we de eilanden achter ons laten geeft de schipper gas. De speedboot springt over de golven. Hierdoor vangen wij op de voorste bank weliswaar de hardste klappen, maar hebben wel het beste uitzicht. Desondanks is de schipper ons voor. Hij legt de boot stil omdat hij een bultrug heeft zien springen. Hij legt uit dat dit gedrag hoort bij de techniek waarmee de ‘hump back’ zijn voedsel vangt. De walvis blaast onder een school vissen lucht uit om vervolgens de opstijgende luchtbellen achterna te zwemmen. Door de luchtbellen raken de vissen gedesoriënteerd en zwemmen niet weg. De bultrug hoeft hierdoor slechts zijn bek open te houden en de vissen uit het water te scheppen. De walvis duikt met hoge snelheid op en kan aan het eind van de jacht met een groot deel van zijn gigantische lichaam boven het water uitspringen. De bultruggen laten zich niet vaak benaderen omdat de motoren van de boten hun voedsel verjagen. Daarom heeft de schipper de motor uitgezet. Niet voor niets blijkt even later. Op een paar honderd meter zien we de ruggen van 2 of 3 bultruggen door het spiegelgladde water van de Pacific snijden. Omdat het windstil is kunnen we het blazen van deze dieren uitstekend horen. Plotseling springt er één vlak voor onze boot uit het water, waarschijnlijk met z’n bek vol vis. We genieten van de walvissen die om ons heen aan het jagen zijn. Volgens de schipper komt het niet vaak voor dat in dit gebied bultruggen jagen, we hebben dus geluk. We vervolgen onze route langs de kust op zoek naar de ‘grey whale’. Deze walvis eet kriel en omdat deze kleine diertjes zich niet weg laten jagen negeert deze walvis boten en laat zich makkelijker benaderen dan de ‘hump back’: aldus de schipper. Opnieuw heeft hij niets te veel gezegd als we voor de kust plotseling een aantal nevelfonteintjes zien die ontstaan als de walvissen uitblazen. Het blijken ± 6 grijze walvissen te zijn. Terwijl ze zoeken naar kriel zwemmen ze met de rug boven water en blazen regelmatig lucht uit de opening op de rug. Als de grijze walvis naar voedsel duikt steekt hij eerst de kop wat hoger en verdwijnt vervolgens onder water waarbij zijn staart even helemaal boven water verschijnt. We genieten volop van dit schitterende schouwspel terwijl we tussen deze dieren drijven. Veel te snel is de tijd om en moeten we terug. Onderweg zien we een zeehond en even later nog één, die zich op een hoge rots (een verlaten vogelkolonie (?)), heeft laten verassen door de eb. Terug in Tofino trekken we onze pakken uit en drinken nog een kop warme ‘choco’ bij Seaside Adventures.

Tofino ligt aan de rand van het Pacific Rim National Park Reserve. Voor we terugrijden naar de oostkust willen we een bezoek brengen aan dit park dat zich over een afstand van 100 kilometer langs de kust van de Stille Oceaan uitstrekt. Vanaf de ‘viewpoints’ aan de voet van de Radar Hill en bij de resten van het radarstation uit de 2e wereldoorlog op de top van deze heuvel hebben we een goed uitzicht over Long Beach en het regenwoud langs de kust van het eiland. Zo’n 3 miles verder parkeren we de auto opnieuw, ditmaal bij het startpunt van het Schooner Cove Trail. Via dit ‘trail’ lopen we over een pad van houten vlonders, bruggen en trappen door een prachtig groen regenwoud. Langs de route naar het strand bij Schooner Cove lijkt alles bedekt met mossen en varens. Het blijkt eb te zijn als we het strand oplopen. We ‘hiken’ langs drooggevallen eilandjes naar de branding. Hier zien we in plassen tussen rotsen grote zeesterren in verschillende kleuren, krabbetjes die in slakkenhuizen leven en prachtige groene zeeanemomen. Terug bij de auto vervolgen we onze route naar het zuiden. De volgende stop is bij de Wickaninnish Inn, een informatie-centrum van het park aan de Wickaninnish Bay. Het uitzicht over de baai is mooi maar de onvoorstelbare hoeveelheid bomen die door de oceaan op het strand zijn geworpen maken de plek echt bijzonder. Na een kort bezoek aan de tegenvallende Wickaninnish Inn verlaten we het park.

Op de terugweg naar de oostkant van het eiland besluiten we de steden Nanaimo en het in het zuiden gelegen Victoria te laten schieten en morgen met de eerste ferry (6.30 uur) terug te varen naar het vaste land. Onderweg tanken we en kopen een paar ‘cokes’ en uiteraard wat ‘beef jerky’. Aan het eind van de middag hebben we, even voor Nanaimo, een (oude vandagen) ‘campground’ (18 Can$) aan de Strait of Georgia gevonden. Als de tent staat werken we de administratie bij en lezen wat tot het etenstijd is. In het winkelcentrum vlakbij de camping eten we en tappen wat ‘flappen’. Terug op de camping kruipen we na een mooie zonsondergang boven de ‘strait’ in onze slaapzak. We zijn niet voor niets naar Vancouver Island gekomen, nog steeds onder de indruk van onze ‘ontmoeting’ met de ‘whales’ gaan we om 22.00 uur slapen.

140 Miles

10e Dag 31-07-1998 Nanaimo – Revelstroke National Park - Revelstroke

Het is 5.00 uur als de wekker afloopt. Een halfuur later rijden we naar het vertrekpunt van de ferry’s in Nanaimo. Hier vernemen we dat de ferry van 6.30 uur door mechanische problemen waarschijnlijk vertraging zal hebben. Als om 6.30 uur de kassa’s open gaan wordt ons niet precies duidelijk wat er aan de hand is. Of de ferry is vol (reserveringen) of hij is nog niet gerepareerd, in elk geval kunnen wij niet mee. De kassiere verwijst ons naar Duke Point, zo’n 20 mile verder. De ferry naar Vancouver vertrekt daar om 7.45 uur. Als we een halfuur later bij Duke Point in de rij staan voor de ferry naar Tsawwassen horen we via de radio dat in Nanaimo niet alleen de ferry van 6.30 uur maar ook die van 8.30 uur uitgevallen is. Anderhalf uur later dan gepland laten we Vancouver Island achter ons en beginnen aan de twee uur durende oversteek naar het vaste land.

Om 10.10 uur rijden we van de boot af, highway 1 op en de drukte van Vancouver in. Pas nadat we om 11.00 uur getankt hebben kunnen we wat vaart maken. We verlaten highway 1 en rijden de Coquihalla Highway op. Deze tolweg (10 Can$) voert ons via de Coquihalla Pas (1244 meter) de bergen en opnieuw het slechte weer in. Als Paul wakker is stoppen we in Merrit, één van de weinige stadjes langs de ‘highway’, om wat te eten. In een Koreaans-restaurantje bestellen we een hamburger met friet. De Koreanen die in dit restaurant eten, krijgen een rijstschotel voorgeschoteld die er zo lekker uit ziet dat wij spijt hebben van onze hamburger. Terwijl we onze route naar het noorden vervolgen besluiten we van de geplande route af te wijken. Jasper in het noorden van het Jasper National Park halen we vandaag namelijk niet meer. In plaats daarvan willen we bij Kamloops naar het oosten rijden, richting de Rocky Mountains. Via het Banff National Park kunnen we dan alsnog het aangrenzende Jasper National Park bezoeken. Bovendien doorkruisen we dan morgen op weg naar het Banff National Park twee extra parken, namelijk het Glacier National Park en het Yoho National Park. We proberen aan het eind van de dag in Revelstroke te zijn zodat we misschien nog wat kunnen zien van het kleine Revelstroke National Park.

Als we dit nationale park(je) naderen klaart het weer wat op. Bij de ingang wordt duidelijk dat er geen camping in het park is. De ranger belt naar een camping in Revelstroke om te informeren of er nog plaats is. Als dit zo blijkt te zijn rijden we daar eerst heen om de tent op de zetten. Bij het inchecken wijst de eigenaresse ons op het feit dat de Lamplighter Campground (15.50 Can$) pal aan het spoor ligt. Omdat wij er, net als in Vancouver waar de campsite ook aan het spoor lag, niet wakker van zullen liggen zetten we de tent op (18.00 uur). Vervolgens rijden we terug naar het park en informeren bij de ranger of er een kans is dat we ‘wildlife’ tegenkomen. Hoewel er marmotten in het park leven en er de afgelopen weken een zwarte beer en een cougar (katachtige) gesignaleerd zijn geeft ze ons weinig kans. Desondanks rijden we toch via de 26 kilometer lange Meadows In The Sky Parkway naar het op 1600 meter hoogte gelegen Balsam Lake. Onderweg hebben we een mooi uitzicht op de Selkirk Mountains. Het Balsam Meer blijkt een klein meertje te zijn dat temidden van dennenbossen en bloeiende alpenweiden ligt. Nadat we om het meer heen gewandeld hebben besluiten we terug naar Revelstroke te rijden omdat er hierboven niet veel meer te zien is.

Zonder op de terugweg ‘wildlife’ te hebben gezien rijden we Revelstroke in om wat te gaan eten. We hebben zin in een ‘salad-bar’ en kiezen daarom een beaf en pizza gigant uit. Aan het tafeltje naast ons blijken Brabanders te zitten die niet echt kunnen wennen aan Canada. Als we om 21.15 uur terug op de camping zijn pakken donkere wolken zich samen boven de bergen, we krijgen regen. De onweersbui barst los als we net in de slaapzak liggen (22.30 uur). Omdat we moe zijn wachten we het eind van de bui niet af, we gaan slapen.

434 Miles

11e Dag 01-08-1998 Revelstroke – Banff National Park – Jasper National Park

Als de wekker om 5.30 uur afloopt hebben we nog geen zin om op te staan en slapen een halfuurtje uit. Nadat we voor de laatste keer tevergeefs met de Amerikaanse GSM naar Nederland proberen te bellen verlaten we om 6.30 uur Revelstroke.

Als we de Rocky Mountains naderen wordt het weer slechter en slechter. De vochtige lucht, afkomstig van de Stille Oceaan, zorgt voor een enorme hoeveelheid neerslag in de Colombian Mountains. In de omgeving van Rogers Pass, het hart van het Glacier National Park, regent het om de andere dag. Vandaag is zo’n regenachtige dag, zodat we vrijwel helemaal niets zien van de route door het Glacier National Park en de ruim 400 gletsjers waaraan het park zijn naam dankt. We besluiten dan ook de rit over de Rogers Pass over te slaan en meteen door te rijden naar het Yoho National Park. Het weer blijkt hier niet veel beter te zijn zodat ook hier het landschap achter de wolken verborgen blijft.

Als we het park verlaten steken we de staatsgrens van Alberta over en rijden het aangrenzende Banff National Park in. Omdat we inmiddels ook de grens van de ‘Mountain Standard Time Zone’ gepasseerd zijn zetten we de klok een uur vooruit. Het is 10.00 uur als we in het Lake Louise Visitor Center informeren naar de weersverwachting voor de komende dagen. Deze luidt: waarschijnlijk 2 dagen slecht en overmorgen goed. Vervolgens bellen we even naar Nederland.

Als we de auto parkeren op een zeer grote parkeerplaats wordt duidelijk dat Lake Louise een toeristische trekpleister is. Inmiddels is het iets helderder geworden zodat we een goed uitzicht hebben op het prachtige bergmeer tussen de besneeuwde bergen met aan de oever het walgelijke Château Lake Louise. Uit de reisgidsen hadden we inmiddels begrepen dat het meer en het ‘Disney’-kasteel enorm in trek zijn bij Japanners, door een soapserie. Desondanks zijn we verrast als we tussen honderden Japanners langs de oever van het meer lopen. Nadat we in Lake Louise Village getankt hebben rijden we door naar Banff. Het blijkt een super toeristisch stadje te zijn met veel winkelstraten, hotels en restaurants. Bij een Mexicaans restaurantje eten we wat. In de hoop dat we het Banff National Park op de terugweg beter zullen zien rijden we vervolgens via de Icefields Parkway naar het Jasper National Park. Onderweg stoppen er voor ons plotseling auto’s. Ons vermoeden dat er ‘wildlife’ moet zitten wordt snel bevestigd. Op slechts een paar meter afstand zien we een zwarte moeder beer met 2 kleintjes in de berm van de weg. Er blijken bessenstruiken langs de weg te staan. Terwijl ze de bessen eten en stenen opzij gooien op zoek naar knollen (?) trekken ze zich niets aan van de zenuwachtige toeristen en de verkeersopstopping die ze veroorzaken. Terwijl we de ene na de andere foto maken genieten we volop van de dieren.

Het laatste deel van de route door het Banff National Park giet het, maar als we bij de Colombia Icefields in het Jasper National Park aankomen breekt de zon door. Hierdoor hebben we een prachtig uitzicht over de gletsjers van het ‘icefield’ die prachtig in het licht liggen. Het Columbia Icefield is met in totaal 325 km2 het grootste ijsveld van de ‘Rockies’. De gemiddelde dikte van het veld bedraagt 365 meter, met een maximum van 900 meter. Aangezien de campings onderweg vol beginnen te lopen gaan we op zoek naar een plekje voor de nacht. Om 18.00 uur weten we één van de laatste plekjes op de Jonas Kreek Campsite te bemachtigen. Het blijkt een eenvoudige ‘site’ te zijn met alleen de hoogst nodige voorzieningen. Er is slechts een chemisch toilet en geen stromend water, maar ons plekje midden in de bossen is prima. We betalen de ‘site’ door een envelopje met geld (13.00 Can$) in een brievenbus te stoppen. Op zoek naar een hapje eten rijden we terug naar het Icefield Park Center vlak bij de Athabasca Glacier die deel uitmaakt van de Columbia Icefields. De snackbar blijkt inmiddels gesloten te zijn en omdat we vanmiddag al goed gegeten hebben laten we het peperdure restaurant voor wat het is. Na een kort bezoek aan de permanente tentoonstelling over de Columbia Icefields blijkt dat het weer inmiddels flink is opgeklaard. Hierdoor hebben we vanuit het Visitor Center een goed uitzicht op de Athabasca Glacier die voor een deel nog in de zon licht. We rijden naar de parkeerplaats onder aan de gletsjer en ‘hiken’ vervolgens naar het ijs. We klauteren over het blauwe ijs van de ‘toe’ (teen) van de gletsjer. Het ijs is bedekt met puin van rotsen die door de ‘glacier’ vermalen zijn en stof dat door de wind meegevoerd wordt uit de ‘Rockies’. Vanaf dit hoge ‘viewpoint’ is duidelijk te zien dat de gletsjer de afgelopen eeuw 2 kilometer korter is geworden. Ongeveer honderd jaar geleden lag de gletsjer tot aan de route van de huidige Icefields Parkway. Nu rest er slechts een kaal ‘maanlandschap’. Met de schoenen vol met slijk rijden we terug naar de Jonas Kreek Campsite.

Onderweg worden we opnieuw op ‘wildlife’ getrakteerd. Langs de weg en tegen een steile berghelling zien we namelijk 6 White Mountain Goats. Verbaasd kijken we toe hoe behendig de dieren de bijna verticale bergwand beklimmen. Als ze uit het zicht zijn vervolgen we onze route. Terug op de camping gaan we in verband met de kou, het tijdsverschil en de plannen voor morgen vroeg op stok (21.15 uur)

380 Miles

12e Dag 02-08-1998 Jasper National Park

Door de kou zijn we vroeg wakker. We kruipen nog even extra dicht tegen elkaar aan om weer warm te worden. Aangezien dit niet lukt staan we op en pakken alles in. Als we uit de tent komen is tot onze grote verbazing de lucht strak blauw, dit in tegenstelling tot de weersvoorspelling. Bij gebrek aan stromend water op de ‘campsite’ poetsen we onze tanden met wat water uit de kruiken. Het is 7.00 uur als we vertrekken.

We rijden opnieuw terug naar het Icefield Park Center, het vertrekpunt van de Snocoach Tour over de 7 kilometer lange Athabasca Glacier. In het ‘center’ kopen we een kaartje en wachten buiten in de zon tot het 9.00 uur is. Een gewone bus brengt ons vervolgens naar het vertrekpunt van de ‘snocoaches’ boven op de moraine, de puinrand langs de gletsjer. Hier stappen we over op een zogenaamde ‘snocoach’, een speciaal voor het rijden op de Athabasca Glacier ontwikkeld voertuig. Meteen na het vertrek wordt duidelijk waarom deze grote bus, op banden met een diameter van ± 1.75 meter, zo bijzonder is. Onder een hoek van maar liefst dertig graden dalen we van de moraine af naar het ijs. Aan de voet van de puinrand stroomt smeltwater van de gletsjer dat door de chauffeurs van de ‘snocoaches’ gebruikt wordt om de banden schoon te spoelen. Hierdoor voorkomt men dat de ‘weg’ over de gletsjer vervuilt raakt. Deze vervuiling zou er onder invloed van de zonnewarmte namelijk voor kunnen zorgen dat de gletsjer sneller smelt. Over een voor de ‘coaches’ geprepareerde ‘weg’ rijden we met zo’n 18 kilometer per uur, de maximumsnelheid van de ‘coach’, over de ‘ijsrivier’ naar het enkele kilometers verder gelegen eindpunt. Het uitzicht op de gletsjer vanuit het dal of vanaf de ‘toe’ is bijzonder maar toch anders dan het ‘iceseeing’ op de gletsjer. Op het eindpunt van de route verlaten we de ‘snocoach’. Het uitzicht over de ‘glacier’ en de ‘Rockies’ is prachtig. Gelukkig zijn er nu nog maar enkele ‘snocoaches’ op het ijs en valt het mee met de drukte. Door de ‘snocoaches’ die onderweg naar boven zijn krijgen we een indruk van de grootte van de Athabasca Glacier. Na 20 minuten stappen we weer in en rijden terug naar beneden. Om 10.15 uur zijn we terug in het ‘visitor center’. Na een sandwich rijden we om 10.35 uur verder richting Jasper.

Onderweg passeren we een plek waar een deel van de berg plaats heeft moeten maken voor de Icefields Parkway. Op de hoge rotswand langs de weg staat een kudde van zo’n 10 ‘big horn sheep’. Het uitzicht op de schapen met één van de gletsjers van het Columbia Icefield op de achtergrond tegen een strak blauwe lucht is schitterend. Even later dalen de ‘big horn sheep’ met het grootste gemak af van de rotswand en wandelen tussen de auto’s door naar een plek waar water langs de bergwand naar beneden stroomt. Nu wordt duidelijk wat de dieren hier komen zoeken. De oudere dieren brengen de jonge schapen naar deze plaats zodat deze hier de mineralen van de natte rotswand kunnen likken. We vervolgen onze route en genieten onderweg van het mooie uitzicht op de Rocky Mountains en het prachtige weer. De volgende stop is bij de Athabasca Falls. Vanaf een brug zien we hoe de Athabasca River zich hier in een nauwe 23 meter diepe kloof stort. Gezien de drukte en het feit dat we gisteren één van de laatste plaatsen op een eenvoudige camping hadden besluiten we om eerst een site op één van de campings in de omgeving van Jasper te gaan reserveren. Het wachten in de rij voor de ingang van de Wapiti Campsite (15.00 Can$) blijkt de moeite waard. Hoewel de camping maar liefst 330 plaatsen telt, hebben we een mooi en rustig plaatsje in de bossen. We zetten de tent op en rijden om 13.00 uur weer het park in.

Via Jasper, waar we kort stoppen om te tanken, vervolgen we onze route naar het op 1673 meter hoogte gelegen en 22 kilometer lange Maligne Lake. Onderweg passeren we het Medicine Lake. Als we bij Maligne Lake arriveren (14.00 uur) blijkt het ook hier erg toeristisch te zijn. We besluiten, mede gezien de lange wachttijd, de anderhalfuur durende boottocht naar het beroemde Spirit Island niet te maken. In plaats hiervan ‘hiken’ we een stukje langs het ‘lake’ en genieten van het mooie uitzicht over het meer dat omgeven is met ‘kerstbomen’. Op de terugweg zien we de rafts op de Maligne River die vanaf het meer vertrokken zijn. Na ons avontuur van vorig jaar op de Zambezi in Afrika lijkt het erop dat raften in de Rockies voor ‘mietjes’ is. Langs de weg zien we een ‘wapiti’. Het is 15.30 uur als we beginnen aan de ‘hike’ over de ‘rim’ van de Maligne Canyon. Tijdens de wandeling tot aan de 4e brug is op slechts enkele plaatsen langs de, tot 55 meter diepe en zeer smalle, canyon het water van de Maligne River vanaf de ‘rim’ te zien. Mede hierdoor is het uitzicht vanaf de 'viewpoints' zeker de moeite waard.

Terug in Jasper bezoeken we het ‘visitor center’ en informeren daar naar het weer voor morgen: ‘sunny’. De sfeer die we proeven als we door het stadje wandelen is een stuk gemoedelijker dan in Banff. Dit komt waarschijnlijk doordat Jasper en dit ‘national park’ toch wat minder toeristisch zijn als Banff en het Banff National Park. We besluiten de tocht met de Jasper Tramway, een kabelbaan naar de 2500 meter hoge top van de Whistlers, tot morgen uit te stellen omdat het inmiddels behoorlijk heiig is. Het is tijd om een hapje te gaan eten. Na een ijsje rijden we nog een stukje in de omgeving van Jasper in de hoop nog wat wild te zien. Met een score van 3 ‘wapitis’ vinden we het genoeg en rijden terug naar de ‘campsite’. Bij een kampvuurtje werken we de administratie bij en gaan om 22.30 uur op stok.

201 Miles

13e Dag 03-08-1998 Jasper National Park – Banff National Park – Kootenay Nat. Park

Omdat het bij het vertrek om 7.35 uur opnieuw heiig blijkt te zijn schrappen we de Jasper Tramway van het programma. In plaats daarvan rijden we naar de top van Mount Edith Clavel. Het uitzicht over het landschap en de Angel Glacier vlak onder de top van de berg zijn mooi, maar niet echt spectaculair. We besluiten daarom niet over de moraine naar de gletsjer te ‘hiken’. Na een bezoek aan de gedenksteen van Edith Clavel, een verpleegster die in de 1e wereldoorlog gevangenen hielp ontsnappen, rijden we terug naar beneden. Als we in het dal highway 93A opdraaien richting Banff zien we opnieuw 2 ‘wapitis’.

Net na het Columbia Icefield rijden we het Banff National Park in. Gelukkig hebben we in tegenstelling tot eergisteren vandaag schitterend weer zodat het landschap langs de route ditmaal niet achter de wolken verborgen blijft. Bij de Saskatchewan Crossing eten we een hapje (11.30 uur). Vervolgens rijden we verder door het park richting Lake Louise. Het is 12.10 uur als we naar de langs de route gelegen Bow Summit ‘hiken’. Vanaf de top van deze heuvel hebben we schitterend uitzicht over het turqoise Peyto Lake. Het meer dankt zijn kleur aan de deeltjes die door het smeltwater van de gletsjers aangevoerd worden en die het groene en blauwe licht uit het lichtspectrum weerspiegelen. Ruim een halfuur later vervolgen we onze route en passeren onderweg de Crawfoot Glacier.

Om 14.00 uur arriveren we opnieuw bij het Château Lake Louise. Het blijkt er bijzonder druk te zijn want ditmaal is de grote parkeerplaats overvol. Omdat we geen plekje kunnen vinden nemen we de gok en parkeren dubbel. Vervolgens ‘hiken’ we naar het meer. Omdat er net een wolk voor de zon schiet moeten we even wachten maar zien Lake Louise dan toch in de volle zon liggen. Dat was precies de reden waar we voor teruggereden zijn. Omdat we ons nog steeds niet thuis voelen in dit ‘klein Japan’ en dubbel geparkeerd staan lopen we terug naar de auto. Ons volgende doel is Lake Moraine, een wat kleiner meer dat in de bergen boven Lake Louise ligt. Ook bij dit ‘lake’ blijkt het bijzonder druk te zijn. Met wat geluk hebben we echter vrij snel een parkeerplaatsje. Het blauwe meer ligt er prachtig bij tussen de morainen die hun naam aan het meer hebben gegeven. Op de achtergrond verrijzen de 10 Wenchemna Peaks, die in het verleden het meer en de morainen door hun gletsjers gevormd hebben en hun naam danken aan de Stoney-indianen. In hun taal betekent ‘wenchemna’ namelijk 10. We ‘hiken’ een stuk langs de oevers van het mooie meer.

Terug bij de auto hebben we genoeg van de drukte. Nadat we om 15.05 uur in Lake Louise Village getankt hebben, laten we bij Vermillion de twee nationale parken met de mooie bergen, meren en vergezichten, het indrukwekkende Colombia Icefield, het schitterende ‘wildlife’, de walgelijke château’s, de staat Alberta en niet te vergeten veel te veel Japanners achter ons en rijden het Kootenay National Park en opnieuw de staat British Colombia in. Via de Bow Valley Park Way rijden we door het park en passeren weer een ‘continental divide’, waar de gevolgen van een bosbrand uit 1968 nu nog duidelijk zichtbaar zijn. De volgende stop is bij de Marble Canyon. Via een 800 meter lang ‘trail’ wandelen we langs de ‘rim’ van de canyon. Door de diepte en de geringe breedte van de kloof zien we de Tokumm Creek slechts af en toe als we vanaf een bruggetje de canyon in kijken. Vanaf een brug aan het eind van het ‘trail’ zien we de ‘creek’ rustig stromen. Vervolgens stort het water zich via een waterval onder de brug zo’n 30 meter omlaag in het begin van de canyon. Op de terugweg naar de parkeerplaats valt het ons op hoe het troebele water van de Tokumm Creek zich vermengt met het heldere water van de Vermillion River. Na een korte stop bij het Kootenay Valley Viewpoint daalt de weg snel en verlaten we bij Radium Hotsprings het Kootenay National Park en de ‘Rockies’.

Na wat zoeken vinden we uiteindelijk de mooie Red Streak Campground (22.00 Can$) van het ‘national park’ aan de rand van het toeristische stadje. Als de tent staat en we terug willen rijden naar het centrum staat er net buiten de ingang van het park een prachtig ‘big horn sheep’. Het is de eerste die we zien met volgroeide ‘big horns’. We gaan op zoek naar de warm waterbronnen waar Radium Hotsprings om bekend staat. De Canadezen zouden de Canadezen niet zijn als ze ook van dit natuurverschijnsel geen pretpark zouden hebben gemaakt. Boven de bronnen is een toeristisch openluchtzwembad gebouwd. Helaas zijn hierdoor de bronnen niet meer te bezoeken. Nadat we in ‘Radium’ wat inkopen hebben gedaan, gaan we op zoek naar een restaurantje waar we buiten kunnen eten omdat het nog steeds heet is. Als de terrassen vol blijken te zitten besluiten we dan maar binnen een hapje te eten. De ober verontschuldigt zich voor het feit dat het zo druk is, met als excuus het lange weekend van de Canadezen uit Alberta. Dat verklaart voor ons de enorme drukte van de afgelopen dagen in de nationale parken rond Jasper en Banff.

Terug op de camping maak ik (Paul) weer een kampvuur. Omdat we eindelijk weer een ‘site’ met alle voorzieningen hebben gaan we lekker douchen. Monique is moe en gaat vroeg slapen. Omdat ik (Paul) niet met een brandend kampvuur midden in de bossen wil gaan slapen werk ik de administratie bij terwijl het vuur dooft. Het is 22.30 uur als ik ook ga slapen.

295 Miles

14e Dag 04-08-1998 Kootenay National Park – Glacier National Park - Helena

Om 6.25 uur vertrekken we richting Amerika. Anderhalf uur later passeren we, net voorbij Roosville, de Canadese grens. Terug in het land van de US$, de ‘miles’ en de graden fahrenheit moeten we weer even omschakelen. In Eureka tanken we en bellen naar Nederland voor het laatste nieuws. Een paar miles verder op de route moeten we stevig in de remmen omdat 2 herten de weg oversteken.

We arriveren om 10.35 uur bij de westelijke ingang van het Glacier National Park dat samen met het Canadese Waterton Lakes National Park een ‘international peace park’ vormt. Via de Going to the Sun Road rijden we het park in. Het eerste deel van de route voert langs het Lake McDonald. Net na het meer stoppen we bij de McDonald Falls. Op het viewpoint boven de ‘falls’ eten we een mok cornflakes als ontbijt. Bij het begin van de smalle Logan Pass rijden we door een gebied dat in 1978 door een bosbrand vernietigd is. Pas als we boven de boomgrens komen krijgen we voor de eerste keer een indruk van het indrukwekkende landschap in het park. De uitzichten, vanaf de diverse ‘viewpoints’ langs de route, over de door gletsjers geschapen scherpe toppen, steile bergwanden en diep dalen zijn mede door het prachtige weer schitterend. Het park moet zijn naam danken aan de gletsjers die het landschap miljoenen jaren geleden gevormd hebben. We hebben langs de route namelijk nog niet één gletsjer gezien in het park. Op het hoogste punt van de beroemde Logan Pass is het helaas zo druk dat het ons een kwartier kost om de auto te parkeren bij het Logan Pass Visitor Center. De ‘squirls’, de mooie bergweiden en de hangende tuinen achter het ‘vistor center’ kunnen ons niet verleiden tot een ‘hike’. Het is te toeristisch en te heet. Waarschijnlijk is de hittegolf van de afgelopen weken in dit gebied ook de oorzaak voor het feit dat er vrijwel geen sneeuw in het park te zien is. Tijdens de afdaling naar de oostelijke uitgang van het park zien we langs de route in de verte toch nog één van de gletsjers van het Glacier National Park. Bij het Saint Mary Lake parkeren we de auto en ‘hiken’ naar de top van een heuvel die voor een deel in het meer ligt. Het uitzicht vanaf de heuvel over het meer met de groene spitse bergen op de achtergrond is adembenemend. Als de geplande ‘campsite’ net voor de uitgang van het park vol blijkt te zijn besluiten we door te rijden. Door vandaag extra kilometers te maken hebben we morgen in het Yellowstone National Park wat extra tijd. Het is 14.50 uur als we het Glacier National Park verlaten. Het landschap van dit kleine park heeft meer indruk gemaakt dan de nationale parken die we de afgelopen dagen in de Canadese Rockies bezocht hebben.

Als we slechts enkele ‘miles’ buiten het park de bergen verlaten kijken we uit over een ‘oneindige’ vlakte, het begin van de Great Plains. Na twee weken bergen en dennenbomen is het even wennen aan het vlakke en kale landschap. Nadat we in het Blackfeet Indian Reserve hebben getankt, rijden we parallel aan de bergen naar het zuiden. In dit deel van de ‘States’ geldt geen maximumsnelheid en omdat het rustig is op de ‘plain’ kunnen we lekker doorrijden. Zo’n 270 extra ‘miles’ (!) verder gaan we in Wolfcreek tevergeefs op zoek naar een camping. We vervolgen onze route en rijden tegen 19.00 uur het in de heuvels gelegen Helena binnen. Na wat zoeken vinden we een prima ‘campground’ (17.68 US$). Als de tent is opgezet (19.15 uur) rijden we met een ‘riessen hunger’ Helena in.

Terug op de camping lezen we wat en werken we in de TV-kamer, tijdens een slappe aflevering van de X-files, het dagboek bij. Om 22.15 uur gaan we slapen.

516 Miles

15e Dag 05-08-1998 Helena – Yellowstone National Park

Het is 6.45 uur als we vertrekken naar het oudste nationale park van Amerika, Yellowstone National Park. In Bozeman stoppen we om te tanken en voor een uitgebreid ontbijt zodat we vanavond met een hamburger toe kunnen. Men is in en rond het park al jaren bezig de slechte wegen op te knappen. Hierdoor lopen we bij een ‘roadblock’ vlak voor de ‘north entrance’ van het nationale park een vertraging op van een uur.

We arriveren om 11.10 uur aan de rand van het vulkanische Yellowstone Plateau dat omgeven wordt door 5 hoge bergketens van de Rocky Mountains. Met een gigantische vulkaanuitbarsting ontstond 600.000 jaar geleden een ‘caldera’ met een doorsnede van 50 tot 70 kilometer en een diepte van 800 meter. Grote lavastromen vulden in de loop van tienduizenden jaren de ingestorte vulkaankrater weer tot de huidige hoogvlakte. Yellowstone is nog niet helemaal tot rust gekomen. Het hele plateau verheft zich nog steeds (15 mm/jaar) en in het park zijn nu nog zo’n 10.000 hydrothermale verschijnselen te vinden.

Via de grote poort bij de ‘north entrance’ rijden we het park en de staat Wyoming in. Op een bord langs de route zien we dat er nog maar enkele plaatsen zijn op slechts drie ‘campgrounds’ aan de rand van het park. Gezien de verwachte drukte in dit seizoen hebben we in Nederland voor 6 en 7 augustus een ‘site’ gereserveerd op de camping bij het Canyon Village. Omdat we echter een dag voor liggen op het geplande schema moeten we voor vandaag nog een ‘campsite’ regelen. Op de vlakbij gelegen Mamoth Campsite (12 US$) hebben we geluk. We reserveren een ‘site’ en rijden vervolgens naar Mamoth Hotsprings. Via de houtenvlonders ‘hiken’ we langs de kalkterrassen. Het uitzicht over de kalkterassen, die gevoed worden door heet kalkrijk water, is nog steeds schitterend. Ook het ‘rotte eieren’ luchtje dat vrijkomt uit de warm waterbronnen zijn we nog niet vergeten. We kopen wat te drinken en een ijsje. Vervolgens rijden we verder naar Norris. Hier bezoeken we het Norris Geyser Basin. Omdat we drie jaar geleden Yellowstone later in het seizoen en dit bassin vroeg op de dag bezocht hebben zorgden destijds de warmwaterbronnen voor mistvorming in hun omgeving. De geisers en de bronnen gaven samen met de mist destijds een bijzondere sfeer aan het park. Door het hete weer en het tijdstip is er nu vrijwel geen mist en hebben we ditmaal een vrij uitzicht op de warm waterbronnen met hun kleurrijke bacterie-matten. Het uitzicht over de bassins is hierdoor anders maar niet minder indrukwekkend. Terwijl we aardig verbranden tijdens de ‘hike’ langs het Back Basin en het Porcelain Basin genieten we volop van de unieke natuurverschijnselen.

De ‘campsite’ bij het Canyon Village (16.20 US$) is ons volgende doel. Hoewel we nog geen bevestiging hadden blijkt dat onze reservering voor de 6e en de 7e nog steeds staat. Als ik (Paul) informeer naar de mogelijkheden voor vanavond blijkt dat de camping vol is. We hebben geluk, mijn buurman blijkt namelijk zijn site in te komen leveren. Ik leg hem uit dat we eigenlijk al een ‘site’ gereserveerd hebben bij ‘Mamoth’ maar dat we nu dankzij ‘zijn’ plaats niet helemaal terug naar het noorden hoeven te rijden. Een andere Amerikaan pikt dit op en informeert of hij de ‘site’ in ‘Mamoth’ over kan nemen. Hij blijkt een grote camper te hebben en omdat hij niet zeker is dat deze op de ‘tentsite’ past twijfelt hij. Uiteindelijk geeft hij ons 10 US$ in plaats van de 12 US$ die het ons gekost heeft. Dik tevreden gaan we op zoek de Grand Canyon of the Yellowstone. Vanaf de uitzichtpunten Inspiration Point en Grand View kijken we uit over de prachtige gele ‘canyon’ met een diepte van 360 meter. We besluiten om hier morgenvroeg terug te komen als de zon in de canyon staat. Via Norris rijden we vervolgens naar het zuiden. Door de drukte en slechte toestand van de wegen vorderen we maar langzaam. Onderweg is het aan de oever van de Firehole River plotseling een drukte van belang. Terwijl ik de auto parkeer loopt Paul naar de rivier om te kijken wat er te zien is. Aan de overkant van de rivier blijkt dat er een prachtige mannetjes ‘moose’ in de rivier staat te drinken. De schuwe eland begint zich helaas alweer in de bossen terug te trekken als ik ook bij de rivier aankom. Bij de Fountain Paint Pot ‘hiken’ we over het 800 meter lang pad van houten vlonders opnieuw langs geisers, warmwaterbronnen en borrelende modderpoelen. Met de neus vol van het ‘rotte eieren’ luchtje rijden we in een lange file terug naar het Canyon Village en vandaar naar de Hayden Valley. We willen namelijk voor het donker wordt nog een blik op vangen van de bizons die zich vandaag nog niet hebben laten zien. In de verte zien we een kudde van zo’n 150 dieren grazen. Omdat we op wat witte pelikanen na vandaag geen ‘wildlife’ meer van dichtbij zullen zien rijden we terug naar het ‘village’ om wat te eten.

Als we aansluiten in de rij voor het buffet van het cafetaria wordt ons al snel duidelijk dat dit wel erg lang kan gaan duren. Daarom ga ik op zoek naar de snackbar die we nog van vorige keer kennen. Als blijkt dat hier nog genoeg plaats is haal ik Monique. We stillen de honger met een broodje hamburger, een ‘chili dog’ en een salade. Met wat te snoepen en te drinken uit de supermarkt rijden we naar de camping. Het is 20.45 uur als we in het donker de tent opzetten, die nog nat is van de afgelopen nacht. Een uur later als het kamp klaar is, het reisverslag en de administratie zijn bijgewerkt kruipen we in de slaapzak en lezen nog wat voor we gaan slapen.

321 Miles

16e Dag 06-08-1998 Yellowstone National Park - Jackson

Na een koude nacht staan we om 6.25 uur op. In de hoop dat de bizons zich vandaag beter laten zien rijden we terug naar de Hayden Valley. We hebben geluk, in de ‘valley’ staat langs de rivier een kudde van zo’n 50 dieren. Door het luidruchtige geloei van de stieren en de in laag hangende mist gehulde dieren hangt er een mystieke sfeer in de ‘valley’. Sommige bizons slaan met de voorpoten en werpen zo stofwolken op. Een enkele stier werpt zich op de rug en rolt door het stof. Wat verder beginnen een aantal bizons plotseling te rennen om daar vervolgens weer onverwacht mee te stoppen. Terwijl de mist langzaam optrekt en de prachtige dieren om ons heen lopen genieten we van dit bijna uitgestorven dier. De bizons beginnen zich door de toenemende drukte langzaam terug te trekken in de ‘valley’.

We rijden terug naar de ‘east rim’ van de Grand Canyon of the Yellowstone. Via de Artist Drive rijden we naar het Artist Point. Het uitzicht over de gele ‘canyon’ en de Yellowstone River die zich hier middels de Lower Falls ruim 90 meter in de ‘canyon’ stort is opnieuw fantastisch. Dat geldt ook voor het uitzicht op de waterval vanaf het Lookout Point op de ‘north rim’ van de ‘canyon’. Vanaf dit punt ‘hiken’ we naar het dieper in de ‘canyon’ gelegen Red Rock Point, het ‘viewpoint’ dat het dichtst bij de Lower Falls ligt. Onderweg houden we voortdurend een nest met 2 jonge visarenden in de gaten. Volgens omstanders is de moeder al een tijdje weg en kan dus elk moment haar jongen komen voeden. Als we de visarend om 9.30 uur nog niet gezien hebben vertrekken we naar het zuidelijke deel van het park.

Via het Yellowstone Lake rijden we naar Grand Village. Hier tanken we en annuleren de gereserveerde ‘campsite’ voor de komende 2 nachten. We willen aan het eind van de middag namelijk ‘Yellowstone’ al verlaten en wat extra kilometers maken gezien de lange rit van morgen. Het gebied rond de Old Faithfull is ons volgende doel. Als we bij deze ‘ouwe trouwe’ aankomen blijkt dat deze net gespoten heeft. We hebben geen zin hier ruim een uur te wachten tot deze geiser weer spuit en dus ‘hiken’ we langs de Firehole River het achterland in. Via Geyser Hill en de Castle-Grand Area wandelen we langs de prachtige Beauty Pool, de Chromatic Spring, de Giant Geyser en de Grotto Geyser. Bij de kleurrijke Morning Glory Pool, opnieuw één van de hoogtepunten, draaien we om en ‘hiken’ in een recordtijd terug in de hoop dat we op tijd zijn voor de Old Faithful. Vanuit de verte zien we de geiser nog net spuiten. We zijn te laat, of eigenlijk was deze redelijk voorspelbare geiser te vroeg. Vervolgens zijn het Black Sand Basin en het Biscuit Basin aan de beurt. Deze ‘basins’ staan bekend om hun mooie warmwaterbronnen. Via vlonders lopen we tussen de ‘pools’ door terwijl we genieten van de diep blauwe kleur van het hete water, de prachtig gekleurde bacteriematten tussen de bronnen en de geisers die om ons heen spuiten. Aan de stank die deze natuurverschijnselen met zich meebrengen kunnen we maar niet wennen. Op de ‘parking’ van het Biscuit Basin zien we een coyote de Firehole River overzwemmen. Tot slot brengen we een bezoek aan de pools van het Midway Basin, die zich door het ontbreken van mist ook hier beter laten zien dan in ‘95.

Het is 15.15 uur als we ‘geyser country’ verlaten en vertrekken richting de zuidelijke uitgang. Onderweg verlaten we het gebied dat door de bosbrand in 1988 verwoest werd. De afgelopen twee dagen hebben we in het hele park gezien dat de natuur zich langzaam maar zeker van deze natuurramp hersteld. Desondanks zijn we, mede door onze ervaring van vorig jaar in Afrika, opnieuw onder de indruk van de vernietigende kracht van vuur. Mede hierdoor en de combinatie van unieke hydrothermische verschijnselen met de prachtige flora en fauna zal ‘Yellowstone’ net als in 1995 één van de hoogtepunten van de reis zijn. Om 16.23 uur verlaten we het Yellowstone National Park en rijden het aangrenzende Grand Teton National Park in.

Langs de route staat aangegeven dat de ‘campsites’ in het park vol zijn. Nadat we bij één van de ‘sites’ tevergeefs hebben geïnformeerd of er plaatsen vrijgekomen zijn, besluiten we het plan om in het park te camperen te laten varen. In plaats daarvan willen we doorrijden naar Jackson en daar een hotel zoeken. Een prettig idee omdat we sinds Eureka aan de Stille Oceaan, 13 dagen geleden, niet meer in een bed hebben geslapen. We vervolgen de route door het park naar het zuiden, langs het Jackson Lake en de markante Teton Range, met zijn meer dan 4000 meter hoge toppen.

Net buiten het park bereiken we Jackson, de eerste en tevens zeer toeristische uitvalsbasis van ‘Teton’ en ‘Yellowstone’. Als we op zoek gaan naar een hotel blijkt dat we niet de enige zijn. Pas als we Jackson bijna verlaten hebben en al weer voorzichtig aan een camping beginnen te denken vinden we om 18.30 uur een kamer in een ‘6-motel’ (69.95 US$). We frissen ons snel op en eten vervolgens in een restaurantje een paar 100 meter verderop een taaie ‘steak’. Na het eten zijn we lui en gaan daarom in plaats van naar het centrum van Jackson terug naar het hotel. Hier douchen we en gaan vervolgens lekker lui op het bed liggen zappen. Als we (bijna) slapen, laat zonder aanwijsbare reden de lijm los waarmee een grote spiegel tegen de muur is geplakt. Met een klap komt het ding neer en zitten wij klaarwakker rechtop in bed. Verbaasd dat de spiegel nog heel is zetten we de TV af en lezen nog wat voor we om 21.30 uur opnieuw gaan slapen.

205 Miles

17e Dag 07-08-1998 Jackson – Dinosaur National Monument – Colorado Nat. Monument

Om 5.45 uur krijgen we onze ‘wake up call’ met de mededeling dat we 10.000.000 US$ hebben gewonnen. Omdat we nu geen tent af hoeven te breken zijn we al om 6.05 uur op weg naar het Dinosaur National Monument, in de staat Colorado.

In Farson tanken we en bellen kort naar Nederland. Onderweg zien we het landschap langzaam veranderen. De dennenbomen verdwijnen en bij Dutch John aan de oever van het stuwmeer in de Flaming Gorge zien we de rode grond en rotsen weer verschijnen die zo karakteristiek zijn voor dit deel van de ‘States’. Het is 11.30 uur als we kort stoppen om in een ‘information center’ van de staat Colorado wat informatie op te vragen over het Dinosaur National Monument. Een halfuur later arriveren we bij de halte van de ‘shuttle bus’ naar het monument.

De bus brengt ons in 2½ minuut (!) naar de ‘dinosaur quarry’. Men heeft over deze groeve een ‘visitor center’ gebouwd om de opgegraven resten van dinosaurussen te beschermen tegen dieven en de weersomstandigheden. Één wand van het gebouw bestaat uit een steile bergwand waaruit op diverse plaatsen de versteende resten van verschillende dinosaurus soorten naar buiten steken. Omdat er naast de werkplaatsen, wat gereedschappen en een aantal kleine replica’s van ‘dino’s’ niet veel meer te zien is valt het monument ons behoorlijk tegen. Een ranger verteld vervolgens een (te) lang verhaal over de geschiedenis van de ‘quarry'. In de prehistorie voerde een rivier de karkassen en botten van dinosaurussen aan naar deze plaats. Deze werden vervolgens in het zand gepreserveerd. In het begin van de 19e eeuw gaf Sir Carnegie aan Earl Douglass de opdracht op zoek te gaan naar iets groots dat hij kon tentoonstellen in het grote gebouw dat hij had laten bouwen, het Carnegie Museum. Het duurde tot 1909 voordat Douglass, op de plaats waar zich nu de ‘quarry’ bevindt, in een heuvel zijn ‘grote’ vondst deed in de vorm van dinosaurusbotten. In de jaren die volgden groef Douglass vrijwel de gehele heuvel af. Hierdoor is, mede gezien het feit dat er maar liefst 350 ton botten afgevoerd zijn naar het museum, de ‘quarry’ niet veel meer dan een lege bouwput. We houden de opgraving dan ook snel voor gezien en rijden om 13.00 uur met de ‘shuttle bus’ terug naar beneden. Het park werd in 1938 uitgebreid met de ‘canyons’ van de Green River en de Yampa River. Hoewel deze woeste gebieden nu nog steeds vrijwel niet toegankelijk zijn rijden we via de Cub Creek Road een stukje het park in om een indruk te krijgen van het landschap. Langs de onverharde weg naar de Josie Morris Cabin stoppen we kort bij een aantal rotstekeningen van indianen. De ‘cabin’ van Josie Morris blijkt een vervallen huisje te zijn dat men in stand houdt als monument voor het harde leven van de blanke pioniers in deze regio. Op de terugweg stoppen we kort bij de Split Mountain.

In onze planning hadden we een hele dag voor dit park opgenomen. Omdat er in de directe omgeving niet veel te doen is besluiten we verder te rijden naar het Colorado National Monument. In Dinosaur maken we een tankstop. Het is 16.50 uur als we net na Fruita bij het Colorado National Monument arriveren. Terwijl we naar de top van het plateau rijden raken we gefascineerd door het landschap met rode rotsen en diepe ‘canyons’. Onderweg passeren we onder andere de Balanced Rock. Op de eenvoudige ‘campsite’ boven op het plateau blijken slechts een klein aantal plaatsen bezet te zijn. Als we bij het ‘visitor center’ in willen checken wordt ons duidelijk gemaakt dat het een ‘self service site’